ECLI:NL:CRVB:2013:BZ1555
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging intrekking en terugvordering bijstand wegens handel in verdovende middelen
Betrokkene ontving vanaf 9 oktober 2008 bijstand op grond van de Wet werk en bijstand. Naar aanleiding van een melding en politieonderzoek werd vastgesteld dat betrokkene op 7 oktober 2010 werd aangehouden wegens handel in verdovende middelen. Betrokkene verklaarde dat hij ongeveer een half jaar voor een ander handelde en sinds ruim een jaar voor zichzelf.
Op basis van deze bevindingen trok appellant de bijstand met terugwerkende kracht in vanaf 9 oktober 2008 en vorderde de gemaakte kosten terug. De rechtbank beperkte de intrekking echter tot de periode van 7 april 2009 tot 1 oktober 2010, omdat onvoldoende bewijs bestond dat betrokkene langer dan anderhalf jaar handelde.
Appellant stelde in hoger beroep dat de intrekking niet beperkt mocht worden omdat niet exact kon worden vastgesteld vanaf wanneer betrokkene handelde. De Raad oordeelde dat de bewijslast voor de intrekking bij appellant ligt en dat deze niet aannemelijk heeft gemaakt dat betrokkene langer dan anderhalf jaar handelde. De enkele verklaring van betrokkene en getuigenverklaringen boden onvoldoende bewijs.
De Raad bevestigde de uitspraak van de rechtbank en veroordeelde appellant in de proceskosten van betrokkene. Hierdoor blijft de intrekking en terugvordering beperkt tot de periode van 7 april 2009 tot 1 oktober 2010.
Uitkomst: De intrekking en terugvordering van bijstand wordt bevestigd en beperkt tot de periode van 7 april 2009 tot 1 oktober 2010.