ECLI:NL:CRVB:2013:BZ1541
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging intrekking en terugvordering bijstand wegens drugshandel en schending inlichtingenplicht
Appellante en haar echtgenoot ontvingen jarenlang bijstand op grond van de WWB. Na hun veroordeling voor handel in harddrugs stelde de sociale recherche een onderzoek in, waaruit bleek dat zij geen melding hadden gemaakt van inkomsten uit deze handel. Het college trok daarom de bijstand in over een lange periode en vorderde de kosten terug.
De rechtbank verklaarde het beroep tegen dit besluit ongegrond. Appellante voerde aan niet op de hoogte te zijn geweest van de drugshandel van haar echtgenoot, mede vanwege culturele verschillen. De Raad overwoog echter dat bij gezinsbijstand de partners als eenheid worden gezien en onbekendheid met elkaars activiteiten geen vruchtbaar verweer is.
De Raad bevestigde het besluit van het college en de uitspraak van de rechtbank, oordeelde dat de inlichtingenplicht was geschonden en dat het recht op bijstand daardoor niet kon worden vastgesteld. De terugvordering werd gehandhaafd, waarbij het bedrag nader was bepaald op €111.110,60. Er werd geen aanleiding gezien voor proceskostenveroordeling.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt de intrekking en terugvordering van bijstand wegens schending van de inlichtingenplicht en drugshandel.