ECLI:NL:CRVB:2013:BZ1531
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging verlaging bijstand wegens niet behouden passend werk door eigen toedoen
Appellant ontving bijstand op grond van de WWB en was van 2006 tot 2008 in dienst bij een werkgever. Na beëindiging van het dienstverband vroeg hij opnieuw bijstand aan. Het college wees de aanvraag aanvankelijk af wegens onvolledige informatie over zijn woonsituatie, maar verleende later bijstand met een verlaging van 100% gedurende een maand omdat appellant passend werk niet had behouden door eigen toedoen.
Appellant voerde in hoger beroep aan dat hij zijn baan had opgezegd vanwege knie- en psychische klachten en de noodzaak om zijn zwangere vriendin te begeleiden. Hij overlegde een brief van een orthopedisch chirurg ter ondersteuning. De Raad oordeelde echter dat deze brief geen aanwijzingen gaf dat het werk niet passend was en dat appellant onvoldoende medische onderbouwing leverde voor zijn psychische klachten en persoonlijke omstandigheden.
De Raad concludeerde dat niet kan worden gezegd dat elke verwijtbaarheid ontbreekt en bevestigde daarom het besluit tot verlaging van de bijstand. Er werd geen aanleiding gezien voor een veroordeling in de proceskosten. De uitspraak werd gedaan door de meervoudige kamer van de Centrale Raad van Beroep op 19 februari 2013.
Uitkomst: De verlaging van de bijstand met 100% gedurende een maand wordt bevestigd omdat appellant passend werk niet heeft behouden door eigen toedoen.