ECLI:NL:CRVB:2013:BZ0564
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- H.G. Rottier
- H. Bolt
- B.M. van Dun
- Rechtspraak.nl
Afwijzing WW-uitkering wegens niet voldoen aan wekeneis ondanks vernietiging eerdere uitspraak
Appellant had een WW-uitkering aangevraagd na beëindiging van zijn arbeidsovereenkomst. Het UWV weigerde de uitkering omdat appellant niet voldeed aan de wettelijke wekeneis, aangezien hij volgens het UWV onvoldoende weken had gewerkt in de referteperiode.
De rechtbank vernietigde het besluit van het UWV wegens strijd met het motiveringsbeginsel, maar handhaafde de rechtsgevolgen omdat appellant onvoldoende bewijs leverde dat hij aan de wekeneis voldeed. Appellant stelde hoger beroep in tegen deze uitspraak en het besluit.
De Centrale Raad van Beroep constateerde dat de rechtbank het onderzoek onjuist had geschorst zonder toestemming van partijen, waardoor de uitspraak niet in stand kon blijven. De Raad vernietigde de uitspraak en het besluit van het UWV omdat appellant niet was gehoord in de bezwaarprocedure, wat in strijd was met de Awb.
De Raad oordeelde vervolgens dat appellant niet had aangetoond dat hij in de relevante periode voldoende weken als werknemer had gewerkt. De verklaring van een ex-collega was onvoldoende bewijs. Daarom bleven de rechtsgevolgen van het besluit van het UWV in stand.
Ten slotte veroordeelde de Raad het UWV tot vergoeding van de proceskosten in beroep en hoger beroep, maar wees het verzoek van appellant tot vergoeding van bezwaarkosten af omdat het besluit niet was herroepen wegens een aan het UWV te wijten onrechtmatigheid.
Uitkomst: Het beroep wordt gegrond verklaard, het besluit vernietigd, maar de rechtsgevolgen van het besluit blijven in stand omdat appellant niet aan de wekeneis voldoet.