ECLI:NL:CRVB:2013:BY9843
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging gezamenlijke huishouding bij intrekking en terugvordering bijstand
Appellante voerde hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank die het bezwaar tegen een terugvordering van bijstand ongegrond verklaarde. De kern van het geschil betrof de vraag of appellante en betrokkene in de periode van 15 september 2009 tot 30 april 2011 een gezamenlijke huishouding voerden.
Uit het onderzoek van de sociale recherche, getuigenverklaringen en verklaringen van partijen zelf bleek dat betrokkene zijn hoofdverblijf feitelijk had in de woning van appellante, ondanks dat hij ook op een ander adres stond ingeschreven. Dit werd onder meer ondersteund door het hoge waterverbruik op het adres van appellante en het lage verbruik op het andere adres.
De Raad oordeelde dat er voldoende feitelijke grondslag was voor het standpunt dat sprake was van een gezamenlijke huishouding, zoals bedoeld in artikel 3 lid 3 en Pro 4 WWB. Daarom werd het hoger beroep afgewezen en de eerdere uitspraak bevestigd.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt afgewezen en de eerdere uitspraak bevestigd dat sprake is van een gezamenlijke huishouding.