ECLI:NL:CRVB:2013:BY8762

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
17 januari 2013
Publicatiedatum
5 april 2013
Zaaknummer
11-3153 AW
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Verwijzingen
1 uitgaand · 1 inkomend
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Bevestiging voorwaardelijk ontslag wegens ernstig plichtsverzuim politieambtenaar

Appellant, werkzaam als politieambtenaar bij de regiopolitie Haaglanden, werd verweten dat hij in zijn privétijd in een parkeergarage in het gezicht van een burger, aangeduid als M, had gespuugd en zich onprofessioneel had uitgelaten. Dit gedrag werd aangemerkt als ernstig plichtsverzuim. Na een psychiatrisch en psychologisch onderzoek bleek dat er geen aanwijzingen waren voor een psychische stoornis of verhoogde impulsiviteit die het gedrag konden verklaren.

De korpsbeheerder legde appellant een disciplinaire straf van ontslag op, waarvan de tenuitvoerlegging werd opgeschort onder de voorwaarde dat appellant zich tot een bepaalde datum niet opnieuw schuldig zou maken aan ernstig plichtsverzuim. Appellant maakte bezwaar tegen dit besluit, maar dit werd gehandhaafd. De rechtbank verklaarde het beroep van appellant ongegrond.

In hoger beroep betwistte appellant niet de feiten, maar voerde aan dat het spugen een reflex was en dat zijn uitlating niet bedreigend was. De Raad oordeelde dat van een politiefunctionaris ook buiten werktijd een onkreukbare en de-escalerende houding mag worden verwacht. Het spugen en de uitlatingen waren onprofessioneel en konden als plichtsverzuim worden aangemerkt. Het psychologisch rapport ondersteunde het verweer van appellant niet.

De Raad concludeerde dat de korpsbeheerder bevoegd was de disciplinaire straf op te leggen en dat de straf niet onevenredig was gezien de ernst van het plichtsverzuim en eerdere waarschuwingen aan appellant. Het hoger beroep werd verworpen en de uitspraak van de rechtbank bevestigd.

Uitkomst: Het voorwaardelijk ontslag wegens ernstig plichtsverzuim van appellant wordt bevestigd.

Uitspraak

11/3153 AW
Centrale Raad van Beroep
Meervoudige kamer
Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank ’s-Gravenhage van 4 mei 2011, 10/3071 (aangevallen uitspraak)
Partijen:
[A. te B. ] (appellant)
de korpsbeheerder van de regiopolitie Haaglanden (korpsbeheerder)
Datum uitspraak: 17 januari 2013
PROCESVERLOOP
Namens appellant heeft drs. G.N.R. Priem hoger beroep ingesteld.
De korpsbeheerder heeft een verweerschrift ingediend.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 6 december 2012. Appellant is verschenen, bijgestaan door [P.]. De korpsbeheerder heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. R.L. Herregodts, advocaat, en door C. Aarnoudse.
OVERWEGINGEN
1.1. Appellant is als [functie] werkzaam bij de politieregio Haaglanden in de rang van [rang].
1.2. Op 20 juni 2009 heeft M aangifte gedaan van mishandeling, bedreiging en belediging door appellant in een parkeergarage. In verband hiermee is appellant tijdelijk buiten functie gesteld en daarna overgeplaatst naar een ander bureau.
1.3. Na daartoe een voornemen kenbaar te hebben gemaakt en appellant in de gelegenheid te hebben gesteld hierop zijn zienswijze te geven, heeft de korpsbeheerder op 12 oktober 2009 besloten appellant de disciplinaire straf van ontslag op te leggen, maar deze niet ten uitvoer te leggen indien appellant zich tot 30 september 2011 niet aan soortgelijk of ander ernstig plichtsverzuim schuldig maakt. Na bezwaar is dat besluit gehandhaafd bij besluit van 12 april 2010 (bestreden besluit). Aan dat besluit ligt ten grondslag dat appellant zich schuldig heeft gemaakt aan ernstig plichtsverzuim. Kort gezegd is appellant verweten dat hij in het gezicht van M heeft gespuugd en zich niet op professionele wijze jegens M heeft uitgelaten. Aldus heeft appellant zich in zijn privétijd niet gedragen zoals van een goed politieambtenaar in gelijke omstandigheden mag worden verwacht. Gelet op de uitkomst van een psychologisch en psychiatrisch onderzoek van appellant is er geen grond om aan te nemen dat de gewraakte gedragingen niet aan appellant zijn toe te rekenen. Bij de oplegging van de strafmaat moet naast de aard en ernst van het plichtsverzuim rekening worden gehouden met het feit dat appellant in functioneringsgesprekken in 2006 en 2007 is gewezen op houdingsaspecten en dat hij in mei 2009 is gewaarschuwd voor een onprofessionele beroepshouding, aldus de korpsbeheerder.
2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep van appellant ongegrond verklaard.
3.1. In hoger beroep heeft appellant de juistheid van de aangevallen uitspraak op de hierna te bespreken gronden betwist.
3.2. Het college heeft het standpunt gehandhaafd dat appellant zich tijdens het incident door te spugen en dreigende taal te uiten schuldig heeft gemaakt aan ernstig plichtsverzuim en dat de opgelegde straf van voorwaardelijk ontslag evenredig is.
4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.
4.1. De korpsbeheerder heeft appellant twee concrete gedragingen verweten, namelijk dat hij tijdens het incident op 20 juni 2009 tegen M heeft gezegd “Ik sla geen vrouwen, maar als je een vent was geweest, had je dat wel verdiend” en dat hij M in het gezicht heeft gespuugd.
4.2. Appellant betwist niet dat de onder 4.1 genoemde gedragingen hebben plaatsgevonden, maar bestrijdt dat zijn uitlating bedreigend was en stelt dat het spugen een menselijke reflex was op het bespuugd worden door M.
4.3. De uitlating van appellant tegen M is in elk geval aan te merken als niet professioneel en ook het spugen naar M kan niet door de beugel. Dit laatste vindt appellant zelf ook. Dat de gedragingen van appellant buiten diensttijd plaatsvonden en dat het spugen een reflex zou zijn geweest op het gedrag van M is daarbij niet van belang. Van een politiefunctionaris mag immers worden gevergd dat hij ook buiten diensttijd in contacten met burgers onkreukbaar gedrag laat zien, een de-escalerende houding aanneemt en zich ervan onthoudt zich tegenover een burger te misdragen, ook wanneer dat gebeurt in een reactie op gedrag van die burger.
4.4. De aan appellant verweten gedragingen kunnen worden aangemerkt als plichtsverzuim. Dit plichtsverzuim kan appellant ook worden toegerekend. Het betoog van appellant dat hij heeft gehandeld uit psychische overmacht vindt geen steun in het rapport van de psychologische en psychiatrische expertise. In dat rapport is onder meer geconcludeerd dat er geen aanwijzingen zijn gevonden voor een psychische stoornis, een verstoring van gedrag, cognities en emoties die van invloed kunnen zijn op het handelen van appellant of voor verhoogde impulsiviteit. Gelet hierop is niet doorslaggevend dat in dat rapport tevens is vermeld dat het spuugincident een impulsieve reactie lijkt te zijn geweest in een situatie waarin appellant zich overrompeld heeft gevoeld.
4.5. De conclusie is dat de korpsbeheerder bevoegd was appellant een disciplinaire straf op te leggen. De opgelegde straf is niet onevenredig aan de aard en ernst van het gepleegde plichtsverzuim. Bij dit oordeel weegt ook mee dat appellant als een gewaarschuwd man gold, omdat hij in november 2007 tijdens een functioneringsgesprek er op is aangesproken dat zijn houding niet altijd de-escalerend is. De langdurige en goede staat van dienst van appellant leiden niet tot een ander oordeel, aangezien daarom te meer van appellant mocht worden verwacht dat hij zich anders zou hebben gedragen.
4.6. Het hoger beroep slaagt niet. De aangevallen uitspraak zal worden bevestigd.
5. Voor een veroordeling in de proceskosten bestaat geen aanleiding.
BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.
Deze uitspraak is gedaan door N.J. van Vulpen-Grootjans als voorzitter en J.Th. Wolleswinkel en J.N.A. Bootsma als leden, in tegenwoordigheid van M. Sahin als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 17 januari 2013.
(getekend) N.J. van Vulpen-Grootjans
(getekend) M. Sahin