ECLI:NL:CRVB:2013:BY8456
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- B.M. van Dun
- J.J.T. van den Corput
- D.J. van der Vos
- Rechtspraak.nl
Bevestiging intrekking terugvordering WW-voorschot ondanks betwisting appellant
Appellant kreeg toestemming van het UWV om tijdens de start van zijn eigen bedrijf een WW-uitkering te ontvangen waarbij 70% van zijn zelfstandige inkomsten op de uitkering in mindering werd gebracht. Na vaststelling door het UWV dat appellant een te hoog voorschot had ontvangen, werd een terugvordering van €4.782,70 opgelegd. Appellant maakte bezwaar, dat ongegrond werd verklaard.
Later stelde het UWV vast dat appellant niets hoefde terug te betalen, maar trok dit besluit weer in na telefonisch contact waarbij een vergissing werd erkend. Appellant betwistte de intrekking en beriep zich op het vertrouwens- en rechtszekerheidsbeginsel. De rechtbank oordeelde dat de intrekking rechtmatig was en verklaarde het bezwaar ontvankelijk maar ongegrond.
In hoger beroep bevestigde de Centrale Raad van Beroep dat de brief van intrekking een besluit is en dat appellant het standpunt van het UWV dat het eerdere besluit op een vergissing berustte, heeft betwist. Desondanks faalt het beroep omdat appellant onvoldoende aannemelijk maakte dat de toezegging gedragsbepalend was of gerechtvaardigde verwachtingen heeft gewekt. De Raad bevestigt de uitspraak van de rechtbank en wijst het hoger beroep af.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep wijst het hoger beroep af en bevestigt de intrekking van het besluit over terugvordering WW-voorschot.