Uitspraak
OVERWEGINGEN
- men uit zou gaan van een levensduur van de rolstoelbus van ten minste tien jaar, te rekenen vanaf 1 december 2004;
- met de overeenkomst finale kwijting beoogd werd.
Centrale Raad van Beroep
Appellante maakte bezwaar tegen besluiten van het college inzake vergoeding van kosten voor een rolstoelbus, waarbij het college eerdere besluiten handhaafde en een persoonsgebonden budget toekende voor gebruik van een rolstoeltaxi. Na een schikking in 2010 werd overeengekomen dat het college de aanschafkosten van de rolstoelbus zou vergoeden en een forfaitaire jaarlijkse vergoeding zou toekennen, met finale kwijting voor de periode 2004-2014.
Appellante betwistte dat alle kosten, zoals verzekering, benzine en onderhoud, vergoed zouden worden en maakte bezwaar tegen de uitvoering van de vaststellingsovereenkomst. De rechtbank verklaarde de beroepen tegen eerdere besluiten niet-ontvankelijk vanwege het ontbreken van procesbelang en vernietigde het besluit tot niet-ontvankelijkheid van het bezwaar tegen de uitvoering, zonder de rechtsgevolgen te wijzigen.
De Centrale Raad overweegt dat het college de vaststellingsovereenkomst correct heeft uitgevoerd, dat de afspraken geen vergoeding van alle bijkomende kosten omvatten en dat appellante geen belang meer heeft bij beoordeling van eerdere besluiten. Het hoger beroep faalt en de uitspraak van de rechtbank wordt bevestigd.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt dat het college de vaststellingsovereenkomst correct heeft uitgevoerd en verklaart het hoger beroep ongegrond.