ECLI:NL:CRVB:2013:716
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Weigering WW-uitkering wegens vermeende verwijtbare werkloosheid niet gerechtvaardigd
Appellant was werkzaam als autobuschauffeur en werd door zijn werkgever geschorst en ontslagen wegens vermeend ontoelaatbaar gedrag, waaronder beledigende uitingen aan leidinggevenden. Het UWV weigerde hem daarop een WW-uitkering toe te kennen wegens verwijtbare werkloosheid, stellende dat het ontslag op staande voet was gebaseerd op een dringende reden.
De rechtbank verklaarde het beroep van appellant ongegrond en bevestigde dat sprake was van een dringende reden. In hoger beroep betwist appellant deze beoordeling en wijst op het tijdsverloop en de aard van de gedragingen. De Raad toetst of er objectief sprake is van een dringende reden voor ontslag op staande voet.
De Raad concludeert dat hoewel appellant zich onacceptabel heeft uitgelaten, de gedragingen niet zodanig waren dat onmiddellijke beëindiging van het dienstverband gerechtvaardigd was. De gedragingen in december 2009 overschreden de grens van het toelaatbare niet in die mate dat ontslag op staande voet kon worden gegeven.
Daarom was de weigering van de WW-uitkering onterecht en moet het UWV een nieuwe beslissing nemen. De persoonlijke omstandigheden van appellant blijven onbesproken omdat de objectieve dringende reden ontbreekt.
De Centrale Raad draagt het UWV op binnen zes weken het besluit te herzien en een nieuwe beslissing op bezwaar te nemen.
Uitkomst: De weigering van de WW-uitkering wegens verwijtbare werkloosheid wordt vernietigd en het UWV wordt opgedragen een nieuwe beslissing te nemen.