ECLI:NL:CRVB:2013:2970
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Ch. van Voorst
- C.P.J. Goorden
- A.I. van der Kris
- Rechtspraak.nl
Bevestiging loonsanctie wegens onvoldoende re-integratie-inspanningen tweede spoor
De zaak betreft het hoger beroep van een werkgever tegen een door het UWV opgelegde loonsanctie die de loondoorbetalingsperiode tijdens ziekte met 52 weken verlengt wegens onvoldoende re-integratie-inspanningen. De rechtbank Utrecht had het beroep ongegrond verklaard en oordeelde dat de werkgever onvoldoende adequaat had gehandeld in het tweede spoor van re-integratie.
De werkgever stelde dat zij redelijkerwijs niet meer kon doen dan zij had gedaan, mede gezien de leeftijd, beperkingen en opleidingsniveau van de werknemer. Zij verwees naar een circulaire van het UWV en de expertise van het re-integratiebureau Focus, dat had geadviseerd niet meer in te zetten op re-integratie in het reguliere arbeidsproces.
De Raad oordeelde dat de werkgever zich niet mocht baseren op het advies van Focus, omdat dit bureau niet beschikte over de door de bedrijfsarts opgestelde Functionele Mogelijkhedenlijst (FML). De bedrijfsarts bepaalt de belastbaarheid en daarmee de grenzen van de arbeidsmogelijkheden. De werkgever had een tweede re-integratiebureau moeten inschakelen of op andere wijze een adequaat tweede spoor moeten inzetten. Ook het tijdsverloop tussen de eerstejaarsevaluatie en het arbeidskundig onderzoek was te lang.
De Raad verwierp het beroep van de werkgever en bevestigde het besluit van het UWV en de uitspraak van de rechtbank. Er was geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en de loonsanctie blijft gehandhaafd.