ECLI:NL:CRVB:2013:2888

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
11 december 2013
Publicatiedatum
18 december 2013
Zaaknummer
11-46 WMO
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 2 Verordening maatschappelijke ondersteuning gemeente OldambtArt. 4 WmoArt. 6 EVRMArt. 20 Verordening maatschappelijke ondersteuning gemeente Oldambt
Verwijzingen
6 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing aanvraag vervoers-, rolstoel- en woonvoorziening wegens niet-woonachting en niet-verhuizing

Appellant, bekend met cerebrale parese en grotendeels rolstoelafhankelijk, vroeg op grond van de Wmo voorzieningen aan voor vervoer, een rolstoel en woonaanpassingen. Het college van burgemeester en wethouders van Oldambt wees deze aanvragen af omdat appellant niet woonde in Oldambt en niet was verhuisd naar een beschikbare meest geschikte woning binnen de gemeente.

De rechtbank verklaarde het beroep van appellant ongegrond, en in hoger beroep bevestigde de Centrale Raad van Beroep dit oordeel. De Raad oordeelde dat het college terecht de aanvraag voor vervoers- en rolstoelvoorzieningen afwees op grond van het ontbreken van woonachting in Oldambt, conform de Verordening maatschappelijke ondersteuning. Ook de afwijzing van de woonvoorziening was terecht omdat appellant niet verhuisde naar een geschikte woning en geen schriftelijke toestemming had gevraagd of gekregen.

Appellant stelde dat hij hierdoor gedwongen werd in Alkmaar te blijven wonen, terwijl die situatie niet passend was. De Raad verwierp dit en benadrukte dat het college de compensatieplicht alleen heeft jegens inwoners van de gemeente. Verder werd vastgesteld dat de totale procedure niet onredelijk lang duurde, maar dat de bezwaarfase wel langer dan gebruikelijk was. Daarom werd het college veroordeeld tot een schadevergoeding van €500 wegens overschrijding van de redelijke termijn.

Uitkomst: De afwijzing van de voorzieningen is terecht; het college moet appellant €500 schadevergoeding betalen wegens overschrijding redelijke termijn.

Uitspraak

11/46 WMO
Datum uitspraak: 11 december 2013
Centrale Raad van Beroep
Meervoudige kamer
Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Groningen van
2 december 2010, 10/555 (aangevallen uitspraak)
Partijen:
[Appellant] te [woonplaats] (appellant)
het college van burgemeester en wethouders van Oldambt (college)
PROCESVERLOOP
Namens appellant heeft mr. C.J. de Wever hoger beroep ingesteld.
Het college heeft een verweerschrift ingediend.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 30 oktober 2013. Voor appellant zijn verschenen zijn vader en moeder, [naam vader] en [naam moeder], bijgestaan door
mr. De Wever. Het college heeft zich laten vertegenwoordigen door C. Bakker.

OVERWEGINGEN

1.
De Raad gaat uit van de volgende in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden.
1.1.
Appellant, geboren op 22 augustus 1997, is bekend met cerebrale parese en is grotendeels rolstoelafhankelijk.
1.2.
Appellant heeft op 30 maart 2009 op grond van de Wet maatschappelijke ondersteuning (Wmo) een aanvraag ingediend voor een voorziening in de vorm van een vervoersvoorziening, een rolstoelvoorziening en een woonvoorziening. Appellant is op dat moment woonachtig in Alkmaar.
1.3.
Bij besluit van 29 oktober 2009 heeft het college deze aanvraag afgewezen.
1.4.
Bij besluit van 17 mei 2010 (bestreden besluit) heeft het college het bezwaar van appellant tegen het besluit van 29 oktober 2009 ongegrond verklaard. Het college heeft aan de afwijzing van de vervoersvoorziening en de rolstoelvoorziening artikel 2, tweede lid, aanhef en onder b, van de Verordening maatschappelijke ondersteuning gemeente Oldambt (Verordening) ten grondslag gelegd, omdat appellant niet woont in de gemeente Oldambt. Aan de afwijzing van de woonvoorziening heeft het college mede artikel 20, aanhef en onder b, van de Verordening ten grondslag gelegd, omdat appellant niet is verhuisd naar de voor zijn beperkingen op dat moment beschikbare meest geschikte woning en daarvoor niet vooraf schriftelijke toestemming is verleend door het college.
2.
Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep van appellant tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard.
3.
Appellant heeft zich in hoger beroep tegen deze uitspraak gekeerd. Hij heeft aangevoerd dat de afwijzing op grond van artikel 2, tweede lid, aanhef en onder b, van de Verordening met zich brengt dat hij is veroordeeld tot het blijven wonen in de gemeente Alkmaar. Hij zou dan niet naar een andere gemeente kunnen verhuizen. Voorts was de woonsituatie in Alkmaar niet meer als passend te beschouwen.
4.
De Raad komt tot de volgende beoordeling.
4.1.
Artikel 2, tweede lid, aanhef en onder b, van de Verordening bepaalt dat een voorziening niet wordt toegekend indien de aanvrager niet woonachtig is in de gemeente Oldambt.
4.2.
Artikel 20, aanhef en onder b, van de Verordening bepaalt dat een aanvraag voor een woonvoorziening wordt geweigerd indien de aanvrager niet is verhuisd naar de voor zijn of haar beperkingen op dat moment beschikbare meest geschikte woning, tenzij daarvoor tevoren schriftelijke toestemming is verleend door het college.
4.3.
Zoals de Raad in zijn uitspraak van 22 september 2010, LJN BO0285 heeft overwogen, brengt een redelijke uitleg van artikel 4, eerste lid, van de Wmo mee dat de aldaar bedoelde compensatieverplichting van het college van burgemeester en wethouders uitsluitend bestaat jegens degenen die in de desbetreffende gemeente woonplaats hebben. Artikel 2, tweede lid, aanhef en onder b, van de Verordening is daarmee in overeenstemming. Het college heeft de aanvraag om een vervoersvoorziening en een rolstoelvoorziening terecht op die grondslag afgewezen, nu appellant niet woonachtig is in Oldambt.
4.4.
Met betrekking tot de afwijzing van de woonvoorziening heeft het college zich mede op het standpunt gesteld dat appellant niet is verhuisd naar de op dat moment beschikbare meest geschikte woning. De ouders van appellant hebben gekozen voor het bouwen van een nieuwe woning in Oldambt. Niet bestreden is dat er in Oldambt voor appellant geschikte of geschikt te maken woningen aanwezig waren. Niet bestreden is voorts dat het betrekken van één van deze woningen tot zelfs aanzienlijk minder kosten zouden hebben geleid dan de kosten gemoeid met aanpassingen in de nieuw gebouwde woning. De nieuw gebouwde woning is derhalve niet de meest geschikte woning.
4.5.
Evenmin is bestreden dat geen schriftelijke toestemming als bedoeld in artikel 20, aanhef en onder b, van de Verordening is verleend. Deze toestemming is ook niet gevraagd.
4.6.
Er is, gelet op hetgeen is overwogen in 4.4 en 4.5, mitsdien niet voldaan aan artikel 20, aanhef en onder b, van de Verordening, zodat het college de aanvraag om een woonvoorziening terecht heeft afgewezen.
5.1.
Appellant heeft verzocht om schadevergoeding wegens overschrijding van de redelijke termijn, bedoeld in artikel 6, eerste lid, van het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM).
5.2.
Voor de wijze van beoordeling van dit verzoek verwijst de Raad naar zijn uitspraak van
3 april 2009, LJN BI0063. Wat betreft de gestelde overschrijding van de redelijke termijn als bedoeld in artikel 6, eerste lid, van het EVRM stelt de Raad vast dat het in dit geval gaat om een procedure in drie instanties, te weten bezwaar, beroep en hoger beroep, waarbij de Raad de bezwaarfase bij het bestuursorgaan als een afzonderlijke instantie aanmerkt. De redelijke termijn voor een procedure in drie instanties, is naar het oordeel van de Raad in zaken als deze in beginsel niet overschreden als de procedure in haar geheel niet langer dan vier jaar heeft geduurd. Heeft de totale procedure langer dan vier jaar geduurd, dan dient per instantie te worden bezien of sprake is van een langere behandelingsduur dan gerechtvaardigd. Daarbij houdt de Raad in beginsel de volgende termijnen voor afronding aan: bezwaar een half jaar, beroep anderhalf jaar en hoger beroep twee jaar. Hierbij geldt dat doorgaans geen sprake zal zijn van een te lange behandelingsduur in de rechterlijke fase in haar geheel als deze niet meer dan drie en een half jaar heeft geduurd.
5.3.
In het licht van het overwogene in 5.2 is voor het onderhavige geval van belang dat vanaf de ontvangst van het bezwaarschrift op 13 november 2009 tot de datum van deze uitspraak vier jaar en één maand zijn verstreken. De Raad heeft vooralsnog in de zaak zelf, noch in de opstelling van appellant aanknopingspunten gevonden voor het oordeel dat in dit geval de totale lengte van de procedure meer dan vier jaar zou mogen bedragen. Van het tijdsverloop in de zaak heeft de behandeling van het bezwaar van 13 november 2009 tot 17 mei 2010 door het college ruim zes maanden geduurd, zodat de bezwaarfase langer heeft geduurd dan voor deze procedure gerechtvaardigd kan worden geacht. De behandeling van het beroep bij de rechtbank duurde van 14 juni 2010 tot 2 december 2010, dat wil zeggen ruim vijf maanden, en de behandeling van het hoger beroep heeft vanaf de ontvangst van het hoger beroepschrift van appellant op 5 januari 2011 tot de datum van deze uitspraak ruim twee jaar en elf maanden geduurd. De behandelingsduur van de rechterlijke fase in haar geheel heeft minder dan drie jaar en zes maanden geduurd, zodat geen sprake is van een langere behandelingsduur dan gerechtvaardigd.
5.4.
Gelet op het overwogene in 5.3 dient in het onderhavige geval de overschrijding van de redelijke termijn als bedoeld in artikel 6, eerste lid, van het EVRM in haar geheel te worden toegerekend aan het college. De Raad acht in lijn met zijn in 5.2 vermelde uitspraak in het algemeen een vergoeding gepast van € 500,- per half jaar of gedeelte daarvan waarmee de redelijke termijn in de procedure als geheel is overschreden. Gezien de duur van de overschrijding van de redelijke termijn als geheel met één maand, leidt deze overschrijding in dit geval tot een vergoeding ten laste van het college van € 500,-.
6. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep
- bevestigt de aangevallen uitspraak;
- veroordeelt het college tot betaling aan appellant van een schadevergoeding ten bedrage van
€ 500,-.
Deze uitspraak is gedaan door J. Brand als voorzitter en W.H. Bel en R.P.Th. Elshoff als leden, in tegenwoordigheid van G.J. van Gendt als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 11 december 2013.
(getekend) J. Brand
(getekend) G.J. van Gendt

TM