ECLI:NL:CRVB:2013:2632
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Afwijzing aanvraag aanvullende inkomensvoorziening ouderen wegens ontbrekende verblijfstitel
Appellant, een oudere man zonder verblijfstitel en gedwongen opgenomen in een zorginstelling, vroeg een aanvullende inkomensvoorziening ouderen aan op grond van artikel 47a WWB. De Sociale verzekeringsbank wees dit verzoek af omdat appellant geen rechtmatig verblijf in Nederland heeft. De rechtbank verklaarde het beroep tegen deze afwijzing ongegrond.
In hoger beroep voerde appellant aan dat weigering van de uitkering strijd oplevert met artikel 8 EVRM Pro vanwege zijn kwetsbare situatie en langdurig verblijf in Nederland. Hij benadrukte zijn hoge leeftijd, slechte gezondheid en het feit dat hij niet kan worden uitgezet. De Sociale verzekeringsbank verwees naar eerdere jurisprudentie waarin het ontbreken van een verblijfstitel doorslaggevend is.
De Raad onderschreef het oordeel van de rechtbank dat appellant valt onder artikel 16, tweede lid, WWB, waardoor hij geen uitkering kan krijgen, ook niet op grond van zeer dringende redenen. De Raad oordeelde dat eventuele positieve verplichtingen uit artikel 8 EVRM Pro niet via de WWB kunnen worden ingevuld. De afwijzing werd bevestigd en de proceskosten werden niet toegewezen.
Uitkomst: De aanvraag voor een aanvullende inkomensvoorziening ouderen wordt afgewezen vanwege het ontbreken van een rechtmatige verblijfstitel.