ECLI:NL:CRVB:2013:993
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging weigering kinderbijslag wegens ontbreken verblijfstitel volgens AKW
Appellante, met de Nigeriaanse nationaliteit, werd de kinderbijslag geweigerd omdat zij niet beschikte over een verblijfstitel zoals vereist in artikel 6, tweede lid, van de Algemene Kinderbijslagwet (AKW). De Sociale Verzekeringsbank (Svb) handhaafde dit besluit na bezwaar. De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond en oordeelde dat het onderscheid naar verblijfsstatus gerechtvaardigd is en dat internationale verdragen zoals het EVRM, IVRK en het Europees Sociaal Handvest geen directe aanspraak op kinderbijslag geven.
In hoger beroep handhaafde de Raad dit oordeel, verwijzend naar eerdere rechtspraak en het arrest van de Hoge Raad van 23 november 2012, waarin werd bevestigd dat het onderscheid naar verblijfsstatus een legitiem doel dient en proportioneel is. De Raad overwoog dat het belang van het kind bij kinderbijslag niet leidt tot een zelfstandige aanspraak en dat langdurig verblijf met een opgebouwde band met Nederland geen bijzondere omstandigheid vormt om het onderscheid te doorbreken.
Appellante voerde aan dat kinderbijslag onderdeel is van het bestaansminimum en dat internationale verdragen een andere beoordeling vereisen, maar deze gronden werden verworpen. De Raad concludeerde dat de weigering van kinderbijslag op grond van het ontbreken van een verblijfstitel een objectieve en redelijke rechtvaardiging heeft en bevestigde het bestreden besluit en de uitspraak van de rechtbank.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt de weigering van kinderbijslag wegens het ontbreken van een rechtmatige verblijfstitel.