Appellante viel uit wegens nek-, schouder- en knieklachten en kreeg aanvankelijk geen WIA-uitkering toegekend omdat het UWV haar arbeidsongeschiktheid op minder dan 35% stelde. De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond. In hoger beroep stelde het UWV het maatmaninkomen bij en kende een loongerelateerde WGA-uitkering toe, maar appellante bleef bezwaar maken tegen de medische beoordeling en de hoogte van het maatmaninkomen.
De Raad beoordeelde dat de medische beperkingen zorgvuldig waren vastgesteld door verzekeringsartsen, die geen aanleiding zagen tot afwijking van het medisch oordeel. Ook de arbeidskundige rapporten ondersteunden dat appellante de voorgelegde functies kon vervullen. Ten aanzien van het maatmaninkomen concludeerde de Raad dat de eindejaarsuitkering in 2007 als periodieke betaling moest worden meegeteld, ondanks ontbrekende polisadministratiegegevens.
De Raad vernietigde de eerdere uitspraak, verklaarde het beroep tegen het eerste besluit gegrond en tegen het tweede ongegrond. Tevens veroordeelde de Raad het UWV tot vergoeding van proceskosten en wettelijke rente, maar wees verdere schadevergoeding af.