ECLI:NL:CRVB:2013:2541
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging herziening en terugvordering WW-uitkering na schatting arbeidsuren door UWV
Appellant ontving vanaf 3 september 2001 een WW-uitkering gebaseerd op een arbeidsurenverlies van 38 uur per week. Na een onderzoek van het UWV naar de rechtmatigheid van de uitkering, waarbij bleek dat appellant geen melding had gemaakt van gewerkte uren, werd de uitkering herzien en deels ingetrokken met terugvordering van onverschuldigd betaalde bedragen.
De rechtbank verklaarde het beroep van appellant ongegrond en oordeelde dat het UWV op basis van een zorgvuldig onderzoek een redelijke schatting had gemaakt van de door appellant als zelfstandige gewerkte uren. Appellant voerde in hoger beroep aan dat de schatting te grofmazig was en dat op basis van de beschikbare gegevens een nauwkeurigere schatting mogelijk was.
De Centrale Raad van Beroep overwoog dat het UWV in situaties waarin geen betrouwbare registratie van uren bestaat, een schatting mag maken mits deze zorgvuldig en op basis van voldoende gegevens is verricht. De schatting van het UWV, gebaseerd op winst- en verliesrekeningen en belastingaangiften, werd als aanvaardbaar beschouwd. Appellant kon geen concrete, verifieerbare gegevens overleggen die de schatting in twijfel trokken.
De Raad bevestigde dat het UWV de WW-uitkering terecht heeft herzien met ingang van 8 januari 2004 en ingetrokken vanaf 3 januari 2005, en dat de terugvordering van onverschuldigd betaalde uitkeringen rechtmatig is. Er werd geen aanleiding gezien voor een proceskostenveroordeling.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt dat het UWV terecht de WW-uitkering heeft herzien en teruggevorderd op basis van een aanvaardbare schatting van gewerkte uren.