ECLI:NL:CRVB:2013:2503
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Ch. van Voorst
- J.S. van der Kolk
- A.I. van der Kris
- Rechtspraak.nl
Bevestiging weigering ZW-, WAO- en WIA-uitkeringen wegens onvoldoende arbeidsongeschiktheid
Appellante, bekend met spina bifida en ernstige rugklachten, ontving aanvankelijk een WAO-uitkering die in 2005 werd beëindigd omdat zij ongeschikt werd geacht voor haar werk als kapster maar geschikt voor andere voorbeeldfuncties. Na toegenomen klachten in 2007 en 2009 volgden diverse beoordelingen door het UWV, waarbij zij geen recht kreeg op WAO- of WIA-uitkeringen wegens minder dan 15% respectievelijk 35% arbeidsongeschiktheid.
De rechtbank verklaarde de beroepen tegen de beëindiging van de ZW-uitkering en de weigering van WAO- en WIA-uitkeringen ongegrond, stellende dat de medische rapporten zorgvuldig waren en geen aanwijzingen bestonden dat de beperkingen van appellante waren onderschat. Appellante voerde in hoger beroep aan dat haar beperkingen waren toegenomen en dat het UWV onvoldoende rekening hield met nieuwe medische gegevens.
De Centrale Raad van Beroep oordeelde dat de bezwaarverzekeringsartsen een volledig en zorgvuldig medisch onderzoek hadden verricht, waarbij alle relevante medische stukken waren betrokken. Er waren geen nieuwe medische feiten die de eerdere conclusies ondermijnden. Appellante werd geschikt geacht voor rugsparende voorbeeldfuncties, niet voor haar oorspronkelijke werk als kapster, waarvoor zij sinds 2005 ongeschikt was bevonden.
Het verzoek om een onafhankelijk deskundigenonderzoek werd afgewezen wegens gebrek aan nieuwe objectieve medische gegevens. De Raad bevestigde de eerdere uitspraak en wees het hoger beroep af, zonder proceskostenveroordeling.
Uitkomst: Het hoger beroep van appellante wordt ongegrond verklaard en de weigering van ZW-, WAO- en WIA-uitkeringen wordt bevestigd.