ECLI:NL:CRVB:2003:AF6274
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Th.C. van Sloten
- R.H.M. Roelofs
- A.B.J. van der Ham
- Rechtspraak.nl
Vernietiging besluit beëindiging bijstandsuitkering wegens gezamenlijke huishouding
Appellante ontving sinds 1981 een bijstandsuitkering die in 1997 werd beëindigd wegens vermeende gezamenlijke huishouding met een kostganger. Na bezwaar werd de beëindiging ongedaan gemaakt, maar in 1998 volgde opnieuw opschorting en beëindiging van de uitkering op dezelfde grond. De rechtbank verklaarde het beroep gegrond omdat onvoldoende bewijs was voor gezamenlijke huishouding, maar handhaafde de rechtsgevolgen van het vernietigde besluit.
In hoger beroep oordeelt de Raad dat appellante en de kostganger geen gezamenlijke huishouding voerden en dat de rechtbank het beroep terecht gegrond heeft verklaard. De Raad vernietigt de primaire besluiten tot opschorting en beëindiging van de bijstand. Tevens wijst de Raad het verzoek om immateriële schadevergoeding af wegens gebrek aan bewijs van geestelijk letsel.
De Raad veroordeelt de gemeente tot vergoeding van de rente over de vertraagde uitbetaling van de bijstand vanaf 1 mei 1998 en tot betaling van de proceskosten van appellante. De vergoeding van het griffierecht wordt eveneens toegewezen. De uitspraak benadrukt dat de inlichtingenplicht niet verder reikt dan noodzakelijke gegevens voor bijstandsverlening en dat onvoldoende bewijs niet automatisch leidt tot schending van die plicht.
Uitkomst: Het besluit tot beëindiging van de bijstandsuitkering wordt vernietigd en de gemeente wordt veroordeeld tot rente- en proceskostenvergoeding.