ECLI:NL:CRVB:2013:2088
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Beoordeling ingezetenschap en recht op kinderbijslag volgens AKW
Appellante, geboren in 1990 en van Somalische nationaliteit, vroeg kinderbijslag aan voor haar in Nederland geboren zoon. De Sociale Verzekeringsbank (Svb) weigerde dit omdat appellante niet als ingezetene van Nederland werd beschouwd op de peildata van het vierde kwartaal 2010 en het eerste kwartaal 2011. De rechtbank vernietigde het bestreden besluit wegens een motiveringsgebrek, maar liet de rechtsgevolgen in stand.
In hoger beroep voerde appellante aan dat zij wel een duurzame band met Nederland had, onder meer door haar verblijf in een zelfstandige woonruimte, haar verblijfstitel en haar intentie zich te vestigen. De Raad oordeelde echter dat de woonruimte een tijdelijke opvang was en dat de verblijfsvergunning van tijdelijke aard was, waardoor geen duurzame band van persoonlijke aard bestond.
De Raad bevestigde dat ingezetenschap volgens de AKW wordt beoordeeld aan de hand van de omstandigheden en dat een duurzame persoonlijke band met Nederland vereist is. De feiten, waaronder het tijdelijke karakter van de woonruimte en de verblijfsvergunning, maakten dat appellante niet als ingezetene kon worden aangemerkt op de peildata. De Svb had het beleid stelselmatig toegepast en de rechtbank had de juiste juridische maatstaven gehanteerd.
Uitkomst: Appellante was op de peildata geen ingezetene van Nederland en had daarom geen recht op kinderbijslag volgens de AKW.