ECLI:NL:CRVB:2013:1963
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Vergoeding immateriële schade wegens overschrijding redelijke termijn in bestuursrechtelijke procedure
Verzoekster stelde een schadevergoeding te vorderen wegens overschrijding van de redelijke termijn in een bestuursrechtelijke procedure tegen het college van burgemeester en wethouders van Heerlen. De Raad had eerder vastgesteld dat de totale duur van de procedure vanaf ontvangst van het bezwaarschrift tot de uitspraak vier jaar en bijna vijf maanden bedroeg, wat het vermoeden van overschrijding van de redelijke termijn bevestigde.
De Raad beoordeelde de overschrijding aan de hand van factoren zoals de complexiteit van de zaak, de behandeling door bestuursorgaan en rechter, het procesgedrag van verzoekster en het belang van het bestreden besluit. De redelijke termijn voor een procedure in drie instanties is in beginsel maximaal vier jaar, waarbij de rechterlijke fase doorgaans niet langer dan drieënhalf jaar mag duren.
In deze zaak werd vastgesteld dat de redelijke termijn in de rechterlijke fase met bijna vijf maanden was overschreden. Op grond van eerdere jurisprudentie werd een immateriële schadevergoeding van €500 per half jaar overschrijding passend geacht. Daarnaast werd de Staat veroordeeld in de proceskosten van verzoekster, begroot op €236.
De Raad besloot daarom de Staat te veroordelen tot betaling van €500 aan immateriële schadevergoeding en €236 aan proceskosten. De uitspraak werd gedaan door rechter J.J.A. Kooijman, in aanwezigheid van griffier M. Sahin, op 8 oktober 2013.
Uitkomst: De Staat wordt veroordeeld tot betaling van een immateriële schadevergoeding van €500 en proceskosten van €236 wegens overschrijding van de redelijke termijn.