ECLI:NL:CRVB:2013:1912
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- R.M. van Male
- M.F. Wagner
- G. Zeben-de Vries
- Rechtspraak.nl
Centrale Raad van Beroep wijst college op juiste procedure bij Wmo-aanvraag woonvoorzieningen na verhuizing
Appellant, die beperkingen ondervindt door een dwarslaesie, verhuisde van een adequate woning in Amsterdam naar een niet-adequate eengezinswoning in Arnhem. Hij diende een aanvraag in voor woonvoorzieningen onder de Wet maatschappelijke ondersteuning (Wmo), die door het college werd afgewezen omdat appellant zonder toestemming was verhuisd.
De rechtbank vernietigde dit besluit en oordeelde dat de relevante verordening onverenigbaar was met de compensatieplicht van de Wmo. Het college moest een nieuwe beslissing nemen, maar stelde het bezwaar alsnog ongegrond met het argument dat appellant niet wilde meewerken aan een verhuizing naar een geschikte woning.
De Centrale Raad van Beroep oordeelt dat het college niet juist heeft gehandeld, omdat de verhuizing van een adequate naar een inadequate woning niet blijvend tegen appellant kan worden gebruikt en dat de aanvraag inhoudelijk beoordeeld moet worden aan de hand van een programma van eisen dat de compensatiebehoefte vastlegt. Het college krijgt zes weken de tijd om het besluit te herstellen volgens deze uitgangspunten.
Uitkomst: Het college moet binnen zes weken een nieuwe beslissing op bezwaar nemen die voldoet aan de juiste procedure en uitgangspunten.