ECLI:NL:CRVB:2013:1734
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Ch. van Voorst
- J.S. van der Kolk
- A.I. van der Kris
- Rechtspraak.nl
Beoordeling maatstaf arbeid bij vaststelling ongeschiktheid in Ziektewetzaak
Appellant, langdurig arbeidsongeschikt als monteur luchtkanalen, trad in 2010 in dienst bij een werkgever voor administratief werk. Na een schouderoperatie en het einde van het contract ontving hij een Ziektewetuitkering. Het UWV beëindigde deze uitkering omdat appellant weer geschikt werd geacht voor het administratieve werk, de laatst verrichte arbeid.
De rechtbank oordeelde dat het UWV onjuiste maatstaf arbeid hanteerde door functies uit 2010 te gebruiken in plaats van het administratieve werk. Het UWV nam daarop een nieuw besluit waarbij het administratieve werk als maatstaf werd gehanteerd en het bezwaar ongegrond bleef.
Appellant voerde in hoger beroep aan dat functies uit 2005 als maatstaf moesten gelden, maar de Raad volgde de vaste rechtspraak dat de feitelijk laatst verrichte arbeid bepalend is, ook als die slechts kort werd verricht of een proefplaatsing betrof. De Raad bevestigde het oordeel van de rechtbank en verklaarde het beroep ongegrond.
Er was geen aanleiding voor schadevergoeding of proceskostenveroordeling. De uitspraak bevestigt het belang van de feitelijk laatst verrichte arbeid als maatstaf bij beoordeling van arbeidsongeschiktheid in het kader van de Ziektewet.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en het beroep tegen het besluit van 16 november 2012 wordt afgewezen.