ECLI:NL:CRVB:2013:1617

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
19 februari 2013
Publicatiedatum
3 september 2013
Zaaknummer
11-5361 WWB
Instantie
Centrale Raad van Beroep
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 11 WWBArt. 16 WWBArt. 8 EVRMWet maatschappelijke ondersteuning
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing bijstandsaanvragen wegens verblijfsstatus volgens WWB

Appellanten, geboren in Beiroet, Libanon, kwamen in 2006 naar Nederland en kregen een verblijfsvergunning voor bepaalde tijd pas in mei 2011. Voor die tijd werden hun aanvragen voor algemene bijstand, bijzondere bijstand en langdurigheidstoeslag afgewezen omdat zij niet tot de kring van rechthebbenden volgens artikel 11, tweede en derde lid, van de WWB behoorden.

De rechtbank verklaarde de beroepen tegen deze besluiten ongegrond. Appellanten voerden aan dat het niet verstrekken van bijstand in strijd was met menselijke waardigheid en dat zij vanwege hun stateloze status niet konden worden uitgezet, waardoor zij recht zouden moeten hebben op bijstand. Het college stelde dat appellanten vrijwillig het uitzetcentrum hadden verlaten en dat zij geen aanspraak konden maken op maatschappelijke opvang of bijstand.

De Raad oordeelde dat appellanten als niet-vreemdelingen in de zin van artikel 11, tweede en derde lid, van de WWB vielen onder artikel 16, tweede lid, waardoor zij geen recht hadden op bijstand, ook niet uit hoofde van zeer dringende redenen. De verblijfsvergunning vanaf mei 2011 veranderde hier niets aan. Het hoger beroep werd afgewezen en het beroep tegen een tweede uitspraak niet-ontvankelijk verklaard, met terugbetaling van het griffierecht.

Uitkomst: De bijstandsaanvragen van appellanten worden afgewezen vanwege hun verblijfsstatus volgens artikel 16, tweede lid, WWB.

Uitspraak

Centrale Raad van Beroep
11/5361 WWB, 11/5362 WWB, 11/5363 WWB, 11/5364 WWB, 11/5366 WWB,
11/5367 WWB, 11/5368 WWB, 11/5369 WWB
Meervoudige kamer
Uitspraak op de hoger beroepen tegen de uitspraken van de rechtbank Groningen van
26 juli 2011, 11/274, 11/278 en 11/314 en van 28 juli 2011, 11/294 (aangevallen uitspraken)
Partijen:
[Appellante] (appellante) en[Appellant] (appellant) te[woonplaats],
het college van burgemeester en wethouders van Stadskanaal (college)
PROCESVERLOOP
Namens appellanten heeft mr. W.G. Fischer, advocaat, hoger beroep ingesteld tegen de aangevallen uitspraken.
Het college heeft een verweerschrift en nadere stukken ingediend.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 8 januari 2013. Appellante is verschenen, bijgestaan door mr. J. Klaas, advocaat en kantoorgenoot van mr. Fischer. Voor appellant - de minderjarige zoon van appellante - zijn appellante en mr. Klaas verschenen. Het college heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. J. Klopstra, advocaat, en mr. T.J. Moltmaker Bos.

OVERWEGINGEN

1.
De Raad gaat uit van de volgende feiten en omstandigheden.
1.1.
Appellanten, beiden geboren in Beiroet, Libanon, zijn in 2006 naar Nederland gekomen. Hun verzoek om een verblijfsvergunning asiel is afgewezen. Op 22 april 2010 is hen aangezegd dat zij Nederland moeten verlaten. Op die datum zijn zij vanuit het uitzetcentrum Ter Apel gaan wonen bij particulieren, woonachtig te Musselkanaal, gemeente Stadskanaal.
1.2.
Appellante heeft in de periode van 18 juni 2010 tot en met 8 september 2010 bij het college diverse aanvragen voor algemene bijstand - met ingang van 22 april 2010 -, bijzondere bijstand en langdurigheidstoeslag op grond van de Wet werk en bijstand (WWB) ingediend. Deze aanvragen zijn achtereenvolgens afgewezen bij besluit van 3 augustus 2010, gehandhaafd bij besluit op bezwaar van 9 februari 2011 (bestreden besluit 1), bij besluit van
8 september 2010, gehandhaafd bij besluit op bezwaar van 21 februari 2011 (bestreden besluit 2) en bij besluit van 16 november 2010, gehandhaafd bij besluit op bezwaar van 30 maart 2011 (bestreden besluit 3). Aan de bestreden besluiten is ten grondslag gelegd dat appellanten niet tot de kring van rechthebbenden in de zin van artikel 11, tweede en derde lid, van de WWB behoren.
1.3.
Aan appellanten is op 29 mei 2011 een verblijfsvergunning verleend voor bepaalde tijd. Het college heeft appellante met ingang van 25 mei 2011 bijstand toegekend naar de norm voor een alleenstaande ouder.
2.
Bij de aangevallen uitspraak van 26 juli 2011 heeft de rechtbank de beroepen tegen de drie bestreden besluiten ongegrond verklaard. Bij de aangevallen uitspraak van 28 juli 2011 heeft de rechtbank het beroep tegen bestreden besluit 2 (nogmaals) ongegrond verklaard.
3.
Appellanten hebben zich op hierna te bespreken gronden tegen deze uitspraken gekeerd.
4.
De Raad komt tot de volgende beoordeling.
De aangevallen uitspraak van 26 juli 2011
4.1.
Ter beoordeling ligt voor of appellanten recht hadden op de door hen aangevraagde uitkeringen op grond van de WWB in de periode van 22 april 2010 (de vroegste datum met ingang waarvan bijstand is aangevraagd) tot en met 16 november 2010 (de datum van het laatste primaire besluit).
4.2.
Appellanten hebben in hoger beroep aangevoerd dat het inhumaan is en in strijd met de menselijke waardigheid dat zij in voormelde periode geen overheidssteun hebben ontvangen en hebben moeten leven van liefdadigheid. Appellanten moesten het uitzetcentrum Ter Apel verlaten en zouden dakloos zijn geworden als zij niet door particulieren waren opgevangen. Ondanks de geboden hulp was er, mede vanwege gedragsproblemen van appellant, sprake van een onhoudbare situatie. Appellanten hadden in het geheel geen aanspraak op voorzieningen. Het niet verstrekken van de gevraagde bijstand heeft bovendien niet kunnen leiden tot het daarmee beoogde doel, te weten dat appellanten Nederland zouden verlaten. Appellante is namelijk een Palestijnse vluchteling, is stateloos en kan buiten haar schuld Nederland niet worden uitgezet. Dit was al bekend voordat de verblijfsvergunning werd verleend. De aangevraagde bijstand en langdurigheidstoeslag hadden moeten worden toegekend.
4.3.
Het college heeft als verweer aangevoerd dat appellanten vanwege hun verblijfsstatus niet behoorden tot de kring van rechthebbenden op grond van de WWB. Appellanten kunnen Nederland niet worden uitgezet vanwege onder andere door appellante veroorzaakte onduidelijkheid over haar identiteit en haar nationaliteit. Voor overheidssteun had appellante zich moeten wenden tot het Centraal Orgaan opvang asielzoekers (COA). Appellante heeft er bewust voor gekozen dit niet te doen. Haar vertrek uit het uitzetcentrum Ter Apel was vrijwillig, evenals haar keuze om te gaan wonen bij particulieren. Appellante heeft jegens het college geen aanspraak op maatschappelijke opvang als bedoeld in de Wet maatschappelijke ondersteuning (Wmo) omdat de gemeente Stadskanaal niet is aangewezen als centrumgemeente en omdat er voor appellanten geen sprake is geweest van (dreigende) dakloosheid. De door appellante gemaakte keuzes komen voor haar rekening en risico.
4.4.
Niet in geding is dat appellanten tijdens de te beoordelen periode geen vreemdeling waren in de zin van artikel 11, tweede en derde lid, van de WWB. Als gevolg hiervan vallen appellanten onder artikel 16, tweede lid, van de WWB, en kan aan hen zelfs uit hoofde van zeer dringende redenen, zoals bedoeld in het eerste lid van dit artikel, geen uitkering op grond van de WWB worden toegekend. De omstandigheid dat appellanten met ingang van 29 mei 2011 beschikken over een verblijfsvergunning maakt dit niet anders.
4.5.
Het oordeel van de rechtbank over de bestreden besluiten strookt met vaste rechtspraak van de Raad (CRvB 22 november 2011, LJN BU6844). Indien ten aanzien van vreemdelingen als bedoeld in artikel 16, tweede lid, van de WWB een positieve verplichting bestaat recht te doen aan artikel 8 van Pro het EVRM, rust deze op het bestuursorgaan dat belast is, of op de bestuursorganen die belast zijn, met de uitvoering van de wettelijk geregelde voorliggende voorzieningen. Aan deze (eventuele) verplichting kan niet met toepassing van de WWB gestalte worden gegeven. Het betoog van appellanten dat zij niet in aanmerking kwamen voor verstrekkingen op grond van de Wet COA of de Wmo, kan niet leiden tot een ander oordeel.
4.6.
Uit hetgeen onder 4.1 tot en met 4.5 is overwogen vloeit voort dat dit hoger beroep niet slaagt, zodat deze aangevallen uitspraak voor bevestiging in aanmerking komt.
De aangevallen uitspraak van 28 juli 2011
4.7.
De rechtbank heeft bij de aangevallen uitspraak van 28 juli 2011 het beroep tegen bestreden besluit 2 (opnieuw) ongegrond verklaard, waarbij voor de motivering is verwezen naar de aangevallen uitspraak van 26 juli 2011.
4.8.
In aanmerking genomen dat de Raad de aangevallen uitspraak van 26 juli 2011 zal bevestigen, in welk kader mede het oordeel van de rechtbank over bestreden besluit 2 aan de orde was, bestaat geen belang meer bij een inhoudelijke beoordeling van het hoger beroep tegen de aangevallen uitspraak van 28 juli 2011. Het hoger beroep tegen deze uitspraak zal
niet-ontvankelijk worden verklaard. De Raad ziet in de handelwijze van de rechtbank wel aanleiding te bepalen dat het met betrekking tot dit hoger beroep betaalde griffierecht door de Raad aan appellanten wordt terugbetaald.
5.
Voor een veroordeling in de proceskosten bestaat geen aanleiding.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep
  • bevestigt de aangevallen uitspraak van 26 juli 2011;
  • verklaart het hoger beroep tegen de aangevallen uitspraak van 28 juli 2011 niet-ontvankelijk;
  • bepaalt dat de Raad het door appellanten in verband met het hoger beroep tegen de aangevallen uitspraak van 28 juli 2011 betaalde griffierecht van € 112,-- aan hen terugbetaalt.
Deze uitspraak is gedaan door C. van Viegen als voorzitter en J.F. Bandringa en
P.W. van Straalen als leden, in tegenwoordigheid van P.J.M. Crombach als griffier.
De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 19 februari 2013.
(getekend) C. van Viegen
(getekend) P.J.M. Crombach

HD