ECLI:NL:CRVB:2013:1413
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging besluit UWV over WAO-uitkering berekend naar vervolgdagloon uit 1991
Appellant ontving sinds 7 juni 1991 een WAO-uitkering berekend naar een dagloon vastgesteld in dat jaar. Na het verrichten van arbeid bij twee werkgevers, waarvan één met een WSW-subsidie, stelde het UWV in 2010 vast dat appellant recht had op een WAO-uitkering gebaseerd op het vervolgdagloon uit 1991. De rechtbank verklaarde het bezwaar van appellant tegen dit besluit ongegrond, stellende dat de inkomsten uit arbeid in het kader van de WSW blijvend mochten worden gekort op de uitkering en dat geen aanleiding was voor hernieuwde vaststelling van het dagloon.
Appellant voerde in hoger beroep aan dat de rechtbank ten onrechte aannam dat hij arbeid had verricht in het kader van de WSW bij de eerste werkgever en dat de korting op de uitkering maximaal drie jaar mocht worden toegepast. De Raad oordeelde dat de arbeid bij de eerste werkgever onder de WSW-regeling viel, waardoor geen maximale termijn gold voor de toepassing van artikel 44 van Pro de WAO. Voor de latere arbeid als taxichauffeur bij de tweede werkgever, die niet onder de WSW viel, gold wel een maximale termijn, maar deze was nog niet verstreken.
Verder concludeerde de Raad dat appellant geen verzoek had ingediend tot herbeoordeling van zijn arbeidsongeschiktheid en dat het UWV op basis van een arbeidskundig rapport geen aanleiding zag de uitkering te verlagen of in te trekken. De Raad verwierp het beroep en bevestigde de uitspraak van de rechtbank, zonder proceskostenveroordeling.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt dat het UWV de WAO-uitkering terecht berekende naar het vervolgdagloon uit 1991.