ECLI:NL:CRVB:2013:1180
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- G.A.J. van den Hurk
- M. Greebe
- R.P.T. Elshoff
- Rechtspraak.nl
Bevestiging terugvordering voorschot WW op basis van belastbaar loon directeur-grootaandeelhouder
Appellant, voormalig werknemer met een arbeidsovereenkomst ontbonden in 2005, ontving een vergoeding die hij als stamrecht in een eigen B.V. inbracht. Hij startte meerdere ondernemingen, waarvan één met personeel en één zonder. Het UWV verleende toestemming om met behoud van WW-uitkering werkzaamheden te verrichten, maar beëindigde de uitkering in 2007.
In 2011 stelde het UWV op basis van fiscale gegevens een terugvordering vast van een voorschot WW-uitkering over de periode oktober 2006 tot april 2007, waarbij het belastbaar loon van appellant uit zijn B.V. als uitgangspunt werd genomen. Appellant maakte bezwaar tegen deze terugvordering, stellende dat het ging om onttrekkingen uit stamrechtvermogen en niet om belastbaar inkomen.
De rechtbank verklaarde het bezwaar ongegrond en oordeelde dat het UWV terecht van het belastbaar loon was uitgegaan. De Centrale Raad van Beroep bevestigt dit oordeel en wijst erop dat volgens de relevante wet- en regelgeving het belastbaar loon van de directeur-grootaandeelhouder als uitgangspunt geldt voor de verrekening van inkomsten met de WW-uitkering. Tevens oordeelt de Raad dat het UWV appellant voldoende heeft geïnformeerd over de verrekening.
Er zijn geen zelfstandige beroepsgronden tegen de terugvordering aangevoerd, en het hoger beroep wordt verworpen. De Raad bevestigt de eerdere uitspraak en legt geen proceskostenveroordeling op.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt dat het UWV terecht het belastbaar loon van appellant als grondslag voor terugvordering van voorschot WW-uitkering heeft genomen.