ECLI:NL:CRVB:2013:1046

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
17 juli 2013
Publicatiedatum
17 juli 2013
Zaaknummer
12-6544 WW
Instantie
Centrale Raad van Beroep
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Bestuursrecht; Socialezekerheidsrecht
Procedures
  • Hoger beroep
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Korting op WW-uitkering wegens onvoldoende sollicitatieverplichting

In deze zaak heeft de Centrale Raad van Beroep op 17 juli 2013 uitspraak gedaan in hoger beroep tegen een eerdere uitspraak van de rechtbank ’s-Gravenhage. De zaak betreft een korting van 25% op de WW-uitkering van betrokkene, die leraar Nederlands is en sinds 2 augustus 2010 een uitkering ontvangt op grond van de Werkloosheidswet (WW). De korting werd opgelegd omdat betrokkene niet voldoende had voldaan aan zijn sollicitatieverplichting. Appellant, de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen, had betrokkene verzocht om een overzicht van zijn sollicitaties in een bepaalde periode, maar betrokkene reageerde hier niet op. Hierdoor werd zijn uitkering met 25% gekort over vier maanden.

Betrokkene maakte bezwaar tegen deze maatregel en stelde dat hij wel degelijk had gesolliciteerd, maar dat hij niet voldoende was geïnformeerd over de vereisten. De rechtbank oordeelde dat de maatregel ten onrechte was opgelegd, omdat betrokkene onvoldoende was geïnformeerd over zijn verplichtingen. Appellant ging in hoger beroep tegen deze uitspraak, waarbij hij betwistte dat er sprake was van verminderde verwijtbaarheid.

De Centrale Raad van Beroep oordeelde dat de rechtbank niet terecht had aangenomen dat betrokkene onvoldoende was geïnformeerd. De Raad stelde vast dat betrokkene duidelijk was geïnformeerd over zijn sollicitatieverplichtingen en dat hij niet had voldaan aan de eisen die aan hem gesteld werden. De Raad vernietigde de eerdere uitspraak van de rechtbank en verklaarde het beroep van betrokkene ongegrond, waardoor de korting op de WW-uitkering in stand bleef.

Uitspraak

Centrale Raad van Beroep
12/6544 WW
Meervoudige kamer
Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank ’s-Gravenhage van
14 november 2012, 12/6276 (aangevallen uitspraak)
Partijen:
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (appellant)
[Betrokkene] te [woonplaats] (betrokkene)
PROCESVERLOOP
Appellant heeft hoger beroep ingesteld.
Betrokkene heeft een verweerschrift ingediend.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 5 juni 2013. Appellant heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. M.J.F. Bär. Betrokkene is verschenen.

OVERWEGINGEN

1.1. Betrokkene, leraar Nederlands met eerstegraads lesbevoegdheid, is met ingang van
2 augustus 2010 in aanmerking gebracht voor een uitkering op grond van de Werkloosheidswet (WW). Ter controle op de naleving door betrokkene van de op hem rustende sollicitatieverplichting heeft appellant betrokkene bij brief van 10 april 2012 verzocht om een overzicht van diens sollicitaties in de periode van 1 februari 2012 tot en met 31 maart 2012. Omdat betrokkene hierop niet heeft gereageerd, heeft appellant de uitkering van betrokkene bij besluit van 14 mei 2012 bij wijze van maatregel met ingang van 14 mei 2012 gekort met 25% over vier maanden.
1.2. Betrokkene heeft bezwaar gemaakt tegen het besluit van 14 mei 2012 en bij brief van
7 juni 2012 een overzicht gegeven van in totaal acht sollicitaties als leraar in het voorbereidend wetenschappelijk onderwijs, door hem verricht op 28 maart 2012, onderscheidenlijk op 14, 17 en 25 april 2012. Ter toelichting heeft betrokkene appellant telefonisch medegedeeld dat er vóór 28 maart 2012 geen vacatures waren. Bij beslissing op bezwaar van 19 juni 2012 (bestreden besluit) heeft appellant het bezwaar van betrokkene ongegrond verklaard en de maatregel gehandhaafd.
2.
De rechtbank heeft het beroep van betrokkene tegen het bestreden besluit bij de aangevallen uitspraak gegrond verklaard. De rechtbank heeft het standpunt van appellant onderschreven dat betrokkene in de onderzochte periode niet voldoende sollicitaties heeft verricht en dat appellant daarom terecht een maatregel heeft opgelegd. De rechtbank heeft verder overwogen dat niet was gebleken dat betrokkene er door appellant of zijn
ex-werkgever van op de hoogte was gesteld dat hij in elke periode van twee maanden acht sollicitaties moest verrichten, noch dat hij er door appellant op was gewezen dat hij ook op functies op een lager niveau dan de bovenbouw van het voorbereidend wetenschappelijk onderwijs moest solliciteren. De rechtbank heeft hierin aanleiding gezien de opgelegde maatregel wegens verminderde verwijtbaarheid te matigen en vast te stellen op 25% gedurende twee maanden.
3.1.
Appellant heeft hoger beroep ingesteld tegen de aangevallen uitspraak voor zover de maatregel is gematigd op grond van verminderde verwijtbaarheid. Appellant heeft betwist dat sprake is van verminderde verwijtbaarheid. Naar de mening van appellant kon betrokkene op grond van de aan hem verstrekte folders “Ontslag, en nu?” en “Een WW-uitkering, en nu?” en op grond van de brochure “Ontslag en re-integratie bij Overheid of Onderwijs” weten welke regels golden tijdens de werkloosheid, met name wat onder passende arbeid werd verstaan en dat hij verplicht was om gemiddeld ten minste eenmaal per week te solliciteren. Appellant heeft verder betoogd dat de rechtbank bovendien op onjuiste wijze toepassing heeft gegeven aan het Maatregelenbesluit socialezekerheidswetten (Maatregelenbesluit), dat in het geval van verminderde verwijtbaarheid een maatregel van 15% over vier maanden voorschrijft.
3.2.
Betrokkene heeft niet betwist dat hij in de onderzochte periode niet gemiddeld eenmaal per week heeft gesolliciteerd. Hij heeft erop gewezen dat hij over een langere periode gezien wel voldoende sollicitaties heeft verricht. Betrokkene acht de Richtlijn passende arbeid van appellant in strijd met de WW, omdat die richtlijn hem verplicht te solliciteren op functies die niet zijn berekend voor zijn krachten en bekwaamheden. Betrokkene heeft de opstelling van appellant formeel en passief genoemd. Betrokkene had graag een persoonlijk onderhoud gehad en hulp bij zijn re-integratie.
4.
De Raad komt tot de volgende beoordeling.
4.1.
Voor een weergave van het toepasselijke wettelijk kader wordt verwezen naar overwegingen 4, 5 en 6 van de aangevallen uitspraak. Verder zijn van belang de artikelen 6, eerste lid, aanhef en onder a en 2, eerste lid, aanhef en onder c, van het Maatregelenbesluit. Daaruit volgt dat bij het overtreden van de sollicitatieplicht een maatregel wordt opgelegd van 25%, met een mogelijkheid tot afwijking tot ten minste 15% of ten hoogste 100% van het uitkeringsbedrag, gedurende ten minste vier maanden.
4.2.
Gezien de standpunten van partijen in hoger beroep staat slechts ter beoordeling of de rechtbank terecht heeft aangenomen dat het overtreden van de sollicitatieverplichting verminderd verwijtbaar is omdat betrokkene onvoldoende is geïnformeerd over de inhoud van die verplichting.
4.3.1.
In het besluit tot toekenning van de WW-uitkering aan betrokkene is op bladzijde 2, onder het vetgedrukte kopje “Sollicitatie” gesteld: “Gedurende de gehele periode dat u een WW-uitkering ontvangt, wordt van u verwacht dat u gemiddeld ten minste één keer per week solliciteert. Uwv controleert dit regelmatig.” Deze duidelijke informatie behoefde geen nadere uitleg. Dat betrokkene niet afzonderlijk mondeling nog een keer is gewezen op de omvang van het aantal sollicitaties dat van hem werd verwacht, leidt daarom niet tot het oordeel dat aan betrokkene op dit punt onvoldoende informatie is gegeven.
4.3.2.
In de folder “Een WW-uitkering, en nu?” is uitleg gegeven van het begrip ten minste passende arbeid. Uit de notitie van het telefoongesprek dat op 19 juni 2012 heeft plaatsgevonden tussen betrokkene en een medewerker van appellant blijkt dat betrokkene ermee bekend was dat hij zich breder moest opstellen naarmate zijn werkloosheid langer voortduurde. Dat betrokkene het niet eens was met de interpretatie die appellant geeft aan het begrip passende arbeid, zoals neergelegd in de Richtlijn passende arbeid, ontsloeg hem niet van de verplichting om zich te houden aan de door appellant gestelde voorwaarden om in aanmerking te blijven komen voor een WW-uitkering. Daarnaast is onjuist het standpunt van betrokkene dat alleen diens eigen functie kan worden beschouwd als arbeid die is berekend voor diens krachten en bekwaamheden.
4.4.
Uit 4.2 tot en met 4.3.2 volgt dat het oordeel van de rechtbank, dat sprake is van verminderde verwijtbaarheid, niet wordt gevolgd. De aangevallen uitspraak komt daarom voor vernietiging in aanmerking. Doende wat de rechtbank zou behoren te doen, zal de Raad het beroep van betrokkene alsnog ongegrond verklaren.
5.
Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep
  • vernietigt de aangevallen uitspraak;
  • verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door H.G. Rottier als voorzitter en B.M. van Dun en C.C.W. Lange als leden, in tegenwoordigheid van E. Heemsbergen als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 17 juli 2013.
(getekend) H.G. Rottier
(getekend) E. Heemsbergen
JvC