ECLI:NL:CRVB:2012:BY7893

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
19 december 2012
Publicatiedatum
5 april 2013
Zaaknummer
11-6086 WMO
Type
Uitspraak
Uitkomst
Niet-ontvankelijk
Procedures
  • Hoger beroep
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 6:5 AwbArt. 6:6 Awb
Verwijzingen
5 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Bevestiging niet-ontvankelijkheid bezwaar tegen weigering verhuiskostenvergoeding WMO

Appellante heeft bij het college van burgemeester en wethouders van Bellingwedde een aanvraag ingediend voor een vergoeding van verhuiskosten op grond van de Wet maatschappelijke ondersteuning (WMO). Het college wees deze aanvraag bij besluit van 8 juni 2010 af. Appellante maakte hiertegen bezwaar, maar stelde de gronden van het bezwaar niet binnen de door het college gestelde termijn van zes weken in, ondanks dat zij daartoe in een brief van 7 juli 2010 was aangemaand.

Het college verklaarde het bezwaar bij besluit van 2 november 2010 niet-ontvankelijk wegens het niet tijdig indienen van de bezwaarschriftgronden. De rechtbank Groningen verklaarde het beroep tegen dit besluit ongegrond. Appellante stelde zich vervolgens op het standpunt dat de termijn onredelijk was, mede omdat haar gemachtigde pas later de stukken ontving.

De Centrale Raad van Beroep oordeelde dat het college terecht het bezwaar niet-ontvankelijk heeft verklaard. De termijn van zes weken ging in op het moment dat het college de termijnbrief naar appellante stuurde, omdat er toen nog geen gemachtigde bekend was. Het was de verantwoordelijkheid van appellante om haar gemachtigde tijdig te informeren en eventueel uitstel te vragen. Er waren geen omstandigheden die het college verhinderden van haar bevoegdheid gebruik te maken. Het hoger beroep werd daarom ongegrond verklaard en de uitspraak van de rechtbank bevestigd.

Uitkomst: Het bezwaar tegen de weigering van de verhuiskostenvergoeding is terecht niet-ontvankelijk verklaard wegens het niet tijdig indienen van de bezwaarschriftgronden.

Uitspraak

11/6086 WMO
Centrale Raad van Beroep
Meervoudige kamer
Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Groningen van 6 september 2011, 11/116 (aangevallen uitspraak)
Partijen:
[A. te B. ] (appellante)
het college van burgemeester en wethouders van Bellingwedde (college)
Datum uitspraak: 19 december 2012
PROCESVERLOOP
Namens appellante heeft mr. F. Bakker, advocaat, hoger beroep ingesteld.
Het college heeft een verweerschrift ingediend.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 28 november 2012. Appellante heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. Bakker. Het college is met bericht van verhindering niet verschenen.
OVERWEGINGEN
1. De Raad gaat uit van de volgende in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden.
1.1. Bij besluit van 8 juni 2010 heeft het college de aanvraag van appellante om een vergoeding in de verhuiskosten op grond van de Wet maatschappelijke ondersteuning afgewezen.
1.2. Appellante heeft hiertegen op 14 juni 2010 bezwaar gemaakt.
1.3. Bij brief van 7 juli 2010 (verzonden 14 juli 2010) heeft het college appellante zes weken de gelegenheid gegeven om de gronden van het bezwaar in te dienen.
1.4. Bij brief van 12 augustus 2010 heeft mr. Bakker zich als gemachtigde van appellante gesteld en de stukken opgevraagd, die het college bij brief van 10 september 2010 heeft toegestuurd.
1.5. Bij brief van 23 september 2010 heeft appellante de gronden van het bezwaar ingediend.
1.6. Bij besluit van 2 november 2010 (bestreden besluit) heeft het college het bezwaar niet-ontvankelijk verklaard. Het college heeft hieraan ten grondslag gelegd dat appellante niet binnen de gestelde termijn de gronden van het bezwaar heeft ingediend.
2. De rechtbank heeft het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard.
3. Appellante heeft zich gemotiveerd tegen de aangevallen uitspraak gekeerd.
4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.
4.1. In artikel 6:5 van Pro de Algemene wet bestuursrecht (Awb) is geregeld waaraan een bezwaar- of beroepschrift ten minste moet voldoen. Ingevolge het eerste lid, onder d, van dit artikel geldt dat het bezwaarschrift de gronden van het bezwaar dient te bevatten.Op grond van artikel 6:6, aanhef en onder a, van de Awb kan het bezwaar niet-ontvankelijk worden verklaard, indien niet is voldaan aan artikel 6:5 van Pro de Awb en de indiener de gelegenheid heeft gehad het verzuim te herstellen binnen een daartoe gestelde termijn.
4.2. Vast staat dat appellante bij de brief van het college van 7 juli 2010 (verzonden 14 juli 2010) is gewezen op het ontbreken van de gronden van het bezwaar, appellante in de gelegenheid is gesteld dit verzuim te herstellen en dat is meegedeeld dat, indien dit niet gebeurt, dit tot niet-ontvankelijkheid van het bezwaar kan leiden. Ook staat vast dat appellante de gronden van het bezwaar niet binnen de in de brief van 7 juli 2010 gestelde termijn heeft ingediend.
4.3. Het college heeft de termijnbrief op 14 juli 2010 naar het adres van appellante gestuurd. Dit is juist, aangezien op dat moment bij het college nog geen gemachtigde van appellante bekend was. Dit betekent dat de in de brief gestelde termijn van zes weken een aanvang nam en appellante verantwoordelijk was voor het indienen van de gronden van het bezwaar vóór 26 augustus 2010. Het behoorde vervolgens ook tot de verantwoordelijkheid van appellante om een eventuele gemachtigde op de hoogte te brengen van de termijnbrief en het feit dat daaraan nog geen gevolg was gegeven, zodat de gemachtigde daarnaar zou kunnen handelen, en - zo nodig - tijdig om uitstel voor het indienen van de gronden zou kunnen vragen. Dat de gemachtigde eerder had kunnen reageren op de termijnbrief wanneer het college de stukken eerder had opgestuurd, doet hieraan niet af. De rechtbank is dan ook terecht tot het oordeel gekomen dat het college bevoegd was het bezwaar niet-ontvankelijk te verklaren en dat niet gebleken is van omstandigheden op grond waarvan het college van deze bevoegdheid geen gebruik kon maken.
4.4. Uit hetgeen onder 4.3 is overwogen volgt dat het hoger beroep niet slaagt en dat de aangevallen uitspraak voor bevestiging in aanmerking komt.
5. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.
Deze uitspraak is gedaan door H.J. de Mooij als voorzitter en J. Brand en W.H. Bel als leden, in tegenwoordigheid van R. Scheffer als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 19 december 2012.
(getekend) H.J. de Mooij
(getekend) R. Scheffer