Appellante ontving uitkeringen op grond van de Werkloosheidswet (WW), Ziektewet (ZW) en Wet arbeid en zorg (Wazo) over verschillende periodes tussen 2004 en 2008. Het UWV voerde een onderzoek uit in het kader van het project ‘Schijn bedriegt’ en concludeerde dat appellante geen recht had op deze uitkeringen omdat zij niet als werknemer was verzekerd, wat leidde tot intrekking en terugvordering van de uitkeringen.
De rechtbank verklaarde het beroep van appellante ongegrond en oordeelde dat sprake was van gefingeerde dienstverbanden. Appellante ging in hoger beroep en stelde dat zij wel degelijk werkzaam was geweest bij de genoemde werkgevers en dat de verklaringen waarop het UWV zich baseerde onduidelijk en niet betrouwbaar waren.
De Centrale Raad van Beroep oordeelde dat het UWV zijn standpunt over gefingeerde dienstverbanden niet handhaafde en dat er onvoldoende eenduidige gegevens waren over de duur en aard van de werkzaamheden van appellante. Hierdoor kon niet worden vastgesteld of recht op uitkering bestond. Het besluit tot intrekking en terugvordering werd daarom vernietigd, maar de rechtsgevolgen van het besluit bleven in stand. Het UWV werd veroordeeld in de proceskosten van appellante.