ECLI:NL:CRVB:2012:BY3892
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Ch. van Voorst
- J.J.T. van den Corput
- A.I. van der Kris
- Rechtspraak.nl
Beëindiging ziekengeld wegens geschiktheid voor eigen arbeid ondanks fysieke klachten
Appellant, werkzaam als productiemedewerker, viel uit wegens rugklachten en kreeg een Ziektewetuitkering toegekend. Na een verzekeringsgeneeskundig onderzoek werd hij per 10 mei 2010 weer geschikt bevonden voor zijn eigen werk en werd de uitkering beëindigd. Appellant maakte bezwaar tegen dit besluit, maar dit werd ongegrond verklaard door het UWV.
De rechtbank oordeelde dat appellant niet ongeschikt was voor zijn arbeid en dat het medisch onderzoek zorgvuldig was uitgevoerd. De Raad onderschrijft dit oordeel en benadrukt dat het begrip 'zijn arbeid' moet worden uitgelegd als de laatstelijk feitelijk verrichte arbeid. De door appellant overgelegde medische stukken, waaronder een AWBZ-indicatiebesluit en rapporten van een bedrijfsarts en psycholoog, zijn volgens de Raad niet relevant voor de beoordeling in het kader van de Ziektewet.
De Raad concludeert dat het UWV terecht heeft besloten de Ziektewetuitkering te beëindigen en bevestigt de uitspraak van de rechtbank. Er is geen aanleiding voor een veroordeling in proceskosten.
Uitkomst: De Ziektewetuitkering van appellant wordt beëindigd omdat hij geschikt is voor zijn eigen arbeid.