ECLI:NL:CRVB:2012:BY3889
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Ch. van Voorst
- J.J.T. van den Corput
- A.I. van der Kris
- Rechtspraak.nl
Bevestiging beëindiging Ziektewetuitkering wegens geschiktheid voor arbeid
Appellant, werkzaam als rozenknipper via een uitzendbureau, viel op 20 april 2010 uit wegens hartklachten en kreeg een Ziektewetuitkering toegekend. Na een verzekeringsgeneeskundig onderzoek werd hij per 31 mei 2010 geschikt bevonden voor zijn eigen werk, waarna het UWV de uitkering beëindigde. Appellant maakte bezwaar tegen dit besluit, maar dit werd ongegrond verklaard op basis van een rapport van de bezwaarverzekeringsarts.
De rechtbank verklaarde het beroep van appellant tegen de beëindiging van de uitkering ongegrond, omdat de medische onderzoeken geen aanwijzingen gaven voor arbeidsongeschiktheid. Appellant bracht geen aanvullende medische informatie in die zijn stelling ondersteunde. In hoger beroep betwistte appellant dit oordeel en stelde dat hij per datum in geding nog steeds arbeidsongeschikt was.
De Centrale Raad van Beroep oordeelde dat de rapportages van de verzekeringsartsen een voldoende basis vormden voor het standpunt dat appellant niet ongeschikt was voor zijn werk. Appellant had ook in hoger beroep geen medische gegevens overgelegd die dit konden weerleggen. Het UWV had op goede gronden besloten de uitkering te beëindigen. De Raad bevestigde daarom de uitspraak van de rechtbank en wees een veroordeling in proceskosten af.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt dat appellant per 31 mei 2010 geschikt was voor zijn arbeid en het UWV terecht de Ziektewetuitkering beëindigde.