ECLI:NL:CRVB:2012:BY3651
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- A.B.J. van der Ham
- J.F. Bandringa
- A.M. Overbeeke
- Rechtspraak.nl
Beoordeling ingangsdatum bijstandsuitkering na verlening verblijfsvergunning met terugwerkende kracht
Appellant, een Iraanse vreemdeling, verkreeg met terugwerkende kracht een verblijfsvergunning met ingang van 16 december 2003, maar meldde zich pas op 11 november 2009 voor bijstand. Het college kende bijstand toe vanaf deze datum, maar weigerde het verzoek om terugwerkende kracht. De rechtbank verklaarde het beroep van appellant ongegrond.
Appellant stelde dat hij recht had op bijstand vanaf 1 december 2006, omdat hij toen een aanvraag zou hebben ingediend en vanwege financiële steun van zijn broer, die hij moest terugbetalen. De Raad overwoog dat volgens vaste rechtspraak bijstand in beginsel niet wordt toegekend vóór de datum van aanvraag of melding, tenzij bijzondere omstandigheden dit rechtvaardigen.
De Raad oordeelde dat het melden of aanvragen vóór het verkrijgen van de verblijfsvergunning kansloos was en niet van appellant kon worden gevergd. Bovendien was appellant niet geslaagd in het aannemelijk maken dat hij gedurende de periode voorafgaand aan de verblijfsvergunning niet in zijn noodzakelijke kosten kon voorzien en dat hij een concrete terugbetalingsverplichting had jegens zijn broer.
Daarom was er geen grond om de bijstand eerder toe te kennen dan vanaf 11 november 2009. Het hoger beroep werd afgewezen en de aangevallen uitspraak bevestigd. Er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd.
Uitkomst: De ingangsdatum van de bijstandsuitkering wordt bevestigd op 11 november 2009, zonder terugwerkende kracht.