ECLI:NL:CRVB:2012:BY3102
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- A.J. Schaap
- H.J. de Mooij
- M.I. ‘t Hooft
- Rechtspraak.nl
Beoordeling vervoersvoorziening en beëindiging individuele vervoersvoorziening Wmo
Appellante vroeg een individuele vervoersvoorziening op grond van de Wet maatschappelijke ondersteuning (Wmo) aan bij het college van burgemeester en wethouders van Onderbanken. Het college stelde aanvankelijk een vergoeding vast op basis van een vervoersbehoefte tussen 1500 en 2000 kilometer per jaar, die later werd verhoogd tot gemiddeld 329,75 kilometer per maand (3957 km per jaar) op basis van door appellante verstrekte kilometerspecificaties.
De rechtbank stelde de vergoeding vast op € 1.345,38 en verklaarde de besparingsbijdrage onrechtmatig. Appellante voerde hoger beroep tegen de vastgestelde vervoersbehoefte, maar slaagde hier niet in omdat zij onvoldoende aannemelijk maakte dat een hogere vervoersbehoefte noodzakelijk was. De Raad bevestigde het oordeel van de rechtbank.
In een tweede procedure ging het om de beëindiging van de individuele vervoersvoorziening per 1 februari 2009. Het college baseerde dit besluit op een advies van de GGD, dat geen medische noodzaak voor de voorziening vaststelde. De rechtbank en de Raad oordeelden dat het college dit besluit mocht nemen en niet gebonden was aan eerdere indicaties uit een andere gemeente. Appellante's beroep op het vertrouwensbeginsel werd verworpen.
Appellante verzocht in beide zaken om schadevergoeding wegens overschrijding van de redelijke termijn. De Raad oordeelde dat in één zaak de redelijke termijn niet was overschreden, maar in de andere zaak wel aanleiding was om het onderzoek te heropenen en de Staat der Nederlanden als partij aan te merken. Een proceskostenveroordeling werd niet toegewezen.
Uitkomst: De Raad bevestigt de vastgestelde vervoersbehoefte en beëindiging van de individuele vervoersvoorziening en wijst het hoger beroep af.