ECLI:NL:CRVB:2012:BX7666
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Ch. van Voorst
- J. Riphagen
- A.I. van der Kris
- Rechtspraak.nl
Vernietiging besluit weigering WAO-uitkering wegens onvoldoende bewijs toename medische beperkingen
Betrokkene ontving vanaf 1995 een WAO-uitkering, die in 2005 werd ingetrokken wegens vermeende geringe arbeidsongeschiktheid. In 2007 vroeg betrokkene hernieuwde toekenning van de uitkering op grond van artikel 43a van de WAO, met medische verklaringen van zijn psychiater. Het UWV stelde echter dat onvoldoende bewijs bestond voor een toename van beperkingen en weigerde de uitkering.
Appellanten, de erven van betrokkene, maakten bezwaar tegen het uitblijven van een besluit en tegen de weigering, maar werden niet-ontvankelijk verklaard en het bezwaar ongegrond verklaard. De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond. In hoger beroep betoogden appellanten dat het UWV een te beperkte periode had beoordeeld en dat door vertraging en overlijden van betrokkene geen onderzoek kon plaatsvinden.
De Raad oordeelt dat het UWV niet gehouden was tot nader onderzoek omdat appellanten geen begin van bewijs leverden van toename van beperkingen. De Raad vernietigt het besluit voor zover het de toepassing van artikel 43a betreft wegens onvoldoende motivering, maar laat de rechtsgevolgen in stand. Het bezwaar tegen het uitblijven van een besluit is terecht niet-ontvankelijk verklaard. Het verzoek om schadevergoeding wordt afgewezen.
Uitkomst: Het besluit van het UWV wordt vernietigd voor zover het artikel 43a van de WAO betreft wegens onvoldoende motivering, het bezwaar tegen uitblijven besluit wordt niet-ontvankelijk verklaard en het verzoek om schadevergoeding wordt afgewezen.