ECLI:NL:CRVB:2012:BX6058
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Ch. van Voorst
- J.J.T. van den Corput
- A.I. van der Kris
- Rechtspraak.nl
Beëindiging Ziektewetuitkering wegens geschiktheid voor arbeid als chauffeur/meewerkend voorman
Appellant, werkzaam als chauffeur/meewerkend voorman in de tuinbouw, meldde zich ziek wegens ernstige pijnklachten aan onderrug en bekken en ontving een Ziektewetuitkering. Na medisch onderzoek door verzekeringsartsen en bezwaarverzekeringsarts werd geconcludeerd dat appellant geschikt is voor zijn werk, waarna het UWV de uitkering beëindigde. Appellant maakte bezwaar en stelde dat het medisch onderzoek onzorgvuldig was en onvoldoende rekening hield met zijn klachten en medicatie.
De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond en oordeelde dat de medische onderzoeken zorgvuldig waren uitgevoerd. In hoger beroep herhaalde appellant zijn standpunten zonder nieuwe medische onderbouwing. De Raad oordeelde dat het medisch onderzoek zorgvuldig was, ook al vond er geen lichamelijk onderzoek plaats door de bezwaarverzekeringsarts; diens beoordeling was gebaseerd op dossiergegevens, gesprekken en overleg.
De Raad concludeerde dat het UWV voldoende en overtuigend had gemotiveerd waarom appellant niet ongeschikt is voor zijn werk. De klachten en medicatie leiden niet tot ongeschiktheid, en er is geen medisch advies dat deelname aan het verkeer ontraden wordt. De Raad bevestigde daarom het bestreden besluit en de uitspraak van de rechtbank.
Uitkomst: De Ziektewetuitkering is terecht beëindigd omdat appellant geschikt is voor zijn laatst verrichte werk.