10/3267 WWB
Centrale Raad van Beroep
Meervoudige kamer
Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Rotterdam van 6 mei 2010, 09/1932 (aangevallen uitspraak)
[Appellant] te [woonplaats] (appellant)
het college van burgemeester en wethouders van Rotterdam (college)
Datum uitspraak 14 augustus 2012.
PROCESVERLOOP
Namens appellant heeft mr. D. Osmic, advocaat, hoger beroep ingesteld.
Het college heeft een verweerschrift ingediend.
Appellant heeft een nader stuk ingediend.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 3 juli 2012. Appellant is met voorafgaand bericht niet verschenen. Het college heeft zich laten vertegenwoordigen door A. Dinç.
1. Voor een overzicht van de in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden verwijst de Raad naar de aangevallen uitspraak. Hij volstaat hier met het volgende.
1.1. Bij besluit van 16 april 2008 heeft het college aan appellant met ingang van 9 november 2007 bijstand op grond van de Wet werk en bijstand (WWB) toegekend naar de norm voor een alleenstaande met een toeslag van tien procent van het netto minimumloon.
1.2. Het college heeft vervolgens bij besluit van 16 juli 2008 alsnog aan appellant en zijn partner [naam partner] ([naam partner]) met ingang van 9 november 2007 bijstand naar de norm voor gehuwden toegekend. Deze norm is verlaagd met tien procent van het netto minimumloon omdat de noodzakelijke kosten van het bestaan kunnen worden gedeeld met een ander.
1.3. Bij besluit van 26 mei 2009 (bestreden besluit) heeft het college, voor zover hier relevant, de met het besluit van 16 juli 2008 toegekende bijstand naar de norm voor gehuwden met een verlaging met tien procent van het netto minimumloon gehandhaafd.
2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard.
3. Appellant heeft in hoger beroep, met inlassing van zijn bezwaar en beroep, samengevat het volgende aangevoerd. Appellant heeft de huurovereenkomst ingeleverd bij het college op of omstreeks 16 januari 2008. Dit blijkt ook uit de processtukken. Het origineel heeft hij nooit terug mogen ontvangen. Zijn zoon heeft op 12 september 2009 nog een verklaring over het huurcontract en de betaling van huur opgesteld. Appellant heeft aldus aangetoond dat sprake was van een commerciële huurprijs, zodat de toegepaste verlaging achterwege dient te blijven.
4. De Raad komt tot de volgende beoordeling. Daarbij wordt voor de van belang zijnde wettelijke bepalingen verwezen naar de aangevallen uitspraak en wordt hier volstaan met het volgende.
4.1. Op grond van artikel 4, eerste lid, van de Verordening toeslagen en verlagingen Wet werk en bijstand (Verordening), zoals die luidde ten tijde in geding, wordt de norm lager vastgesteld indien de gehuwden lagere algemeen noodzakelijke kosten van het bestaan hebben dan waarin de bijstandsnorm voorziet, als gevolg van het geheel of gedeeltelijk kunnen delen van deze kosten met een ander. Ingevolge het derde lid, aanhef en onder a, blijft, in afwijking van het bepaalde in het eerste lid de verlaging achterwege voor de gehuwden die onderhuurder zijn en door middel van een schriftelijke onderhuurovereenkomst en betaalbewijzen aantonen een commerciële huurprijs verschuldigd te zijn. Onder een commerciële huurprijs wordt op grond van artikel 1, eerste lid, onder k, van de Verordening, voor zover hier relevant, verstaan het bedrag dat als onderhuur wordt betaald voor het gebruik van een gedeelte van een woning.
4.2. Vaststaat dat appellant en [naam partner] in de periode hier van belang inwoonden bij hun zoon in zijn eigen woning. Daarom was het bepaalde in artikel 4, eerste lid, op hen van toepassing was.
4.3. Om te kunnen vallen onder de uitzonderingsmogelijkheid van artikel 4, derde lid, aanhef en onder a, is cumulatief vereist dat met een schriftelijke onderhuurovereenkomst en betaalbewijzen wordt aangetoond dat betrokkenen een commerciële huurprijs verschuldigd zijn.
4.4. Nog daargelaten of een huurovereenkomst is overgelegd, is doorslaggevend dat geen afdoende betaalbewijzen zijn verstrekt. De Raad onderschrijft het standpunt van het college dat het overzicht kostendeling niet kan gelden als bewijs van betaling. Daaruit blijkt niet wie aan wie heeft betaald en waarop het betaalde bedrag betrekking heeft, maar vooral is daarmee op geen enkele wijze de overdracht van het geld aannemelijk gemaakt. Hierover heeft appellant verklaard dat het geld in contanten is betaald, maar dit is niet verifieerbaar. Ook de verklaring van de zoon van 12 september 2009 en de vaststellingsovereenkomst van 10 juni 2012 zijn ontoereikend om aan te nemen dat een bedrag aan onderhuur is betaald. In de vaststellingsovereenkomst is niets opgenomen over de huur en huurbetaling en zowel voor deze overeenkomst als voor de verklaring van de zoon geldt dat daaruit de daadwerkelijke betaling niet blijkt.
4.5. Uit 4.1 tot en met 4.4 volgt dat het hoger beroep van appellant niet slaagt en dat de aangevallen uitspraak voor bevestiging in aanmerking komt.
5. Voor een veroordeling in de proceskosten bestaat geen aanleiding.
BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.
Deze uitspraak is gedaan door J.P.M. Zeijen als voorzitter en H.D. Stout en Y.J. Klik als leden, in tegenwoordigheid van V.C. Hartkamp als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 14 augustus 2012.