ECLI:NL:CRVB:2012:BX3878

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
8 augustus 2012
Publicatiedatum
5 april 2013
Zaaknummer
10-6784 ZW
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Verwijzingen
2 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Beëindiging Ziektewetuitkering na psychiatrisch onderzoek bevestigd door Centrale Raad van Beroep

Appellant werkte als operator op tijdelijke contracten en meldde zich ziek met psychische klachten nadat duidelijk werd dat geen vast contract zou volgen. Vanaf juli 2008 ontving hij een Ziektewetuitkering. Het UWV beëindigde deze uitkering per 11 februari 2009 na een verzekeringsarts had vastgesteld dat appellant weer geschikt was voor zijn werk. Appellant stelde beroep in tegen dit besluit.

De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond, gesteund op een uitgebreid psychiatrisch onderzoek door dr. Meissner en dr. Goriounov. Zij constateerden beperkingen bij appellant, maar schreven deze toe aan acculturatieproblematiek en persoonlijkheidstrekken, niet aan een objectief medisch vast te stellen ziekte of gebrek. Deze deskundigen namen ook de informatie van de behandelend arts mee, maar kwamen tot een andere, gemotiveerde conclusie.

Appellant overhandigde in hoger beroep een zorgplan opgesteld door een vrijwilliger, maar dit stuk werd niet als medisch bewijs erkend en bevatte geen concrete gegevens die twijfel konden zaaien over het psychiatrisch rapport. De Centrale Raad van Beroep volgde het oordeel van de rechtbank en bevestigde het bestreden besluit, waarmee het hoger beroep werd afgewezen.

Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt de beëindiging van de Ziektewetuitkering en wijst het hoger beroep af.

Uitspraak

10/6784 ZW
Centrale Raad van Beroep
Meervoudige kamer
Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Almelo van 3 november 2010, 09/380 (aangevallen uitspraak)
Partijen:
[appellant] te [woonplaats] (appellant)
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv)
Datum uitspraak: 8 augustus 2012
PROCESVERLOOP
Namens appellant heeft mr. Ph.C. Kleyn van Willigen, advocaat, hoger beroep ingesteld.
Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 27 juni 2012. Appellant is verschenen, bijgestaan door mr. G.J. Ligtenberg. Het Uwv is, met bericht, niet verschenen.
OVERWEGINGEN
1.1. Appellant heeft vanaf 19 juli 2006 op basis van tijdelijke contracten als operator gewerkt bij [werkgever]. Nadat hem was verteld dat hij geen vast contract zou krijgen heeft appellant zich op 13 mei 2008 ziek gemeld met psychische klachten. Vanaf 19 juli 2008, de dag na afloop van zijn laatste contract, heeft appellant een uitkering op grond van de Ziektewet (ZW) ontvangen.
1.2. Na onderzoek door een verzekeringsarts heeft het Uwv appellant bij besluit van 9 februari 2009 per 11 februari 2009 weer geschikt geacht voor zijn werk van operator en zijn ZW-uitkering daarom beëindigd.
Bij besluit van 9 maart 2009 (het bestreden besluit) heeft het Uwv appellants bezwaar tegen het besluit van 9 februari 2009 ongegrond verklaard en dat besluit gehandhaafd.
1.3. Appellant heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit. Op verzoek van de rechtbank is een onderzoek ingesteld door psychiater dr. J.W.G. Meissner en psychiater in opleiding dr. S.V. Goriounov. Deze deskundigen hebben op 29 maart 2010 gerapporteerd.
2. De rechtbank heeft bij de aangevallen uitspraak het beroep van appellant ongegrond verklaard. De rechtbank heeft daartoe het volgende overwogen.
Het bestreden besluit is gebaseerd op een zorgvuldig medisch onderzoek.
In hun rapport van 29 maart 2010 zijn Meissner en Goriounov, na uitgebreid verslag van hun bevindingen, gemotiveerd tot de conclusie gekomen dat bij appellant geen sprake is (geweest) van ziekte of gebrek in psychiatrische zin. Volgens vaste rechtspraak wordt het oordeel van een onafhankelijke deskundige gevolgd. Er is in dit geval geen aanleiding om van dit uitgangspunt af te wijken.
3.1. Appellant heeft in hoger beroep aangevoerd dat hij als gevolg van zijn psychiatrische problematiek op 11 februari 2009 ongeschikt was voor zijn werk als operator. Hij heeft daartoe verwezen naar informatie van zijn behandelend arts A. Erikli van 12 maart 2010 en naar een persoonlijk zorgplan van 20 oktober 2010, opgesteld door S. Karasoylu, vrijwilliger bij de Stichting Inloopcentrum voor Sociale en Economische Zelfredzaamheid.
3.2. Het Uwv heeft de rechtbank verzocht de aangevallen uitspraak te bevestigen.
4.1. De Raad kan zich geheel vinden in het oordeel van de rechtbank en de overwegingen op basis waarvan de rechtbank tot dit oordeel is gekomen.
4.2. Meissner en Goriounov hebben een uitgebreid onderzoek verricht en op basis daarvan een gedegen, op inzichtelijke wijze gemotiveerd, rapport geschreven. In dit rapport hebben zij weliswaar beperkingen bij appellant geconstateerd, doch deze beperkingen hebben zij toegeschreven aan acculturatieproblematiek in combinatie met bepaalde persoonlijkheidstrekken van appellant en niet aan een objectief medisch vast te stellen ziekte of gebrek.
4.3. Uit het rapport blijkt dat Meissner en Goriounov kennis hebben genomen van de door Erikli genoemde diagnose depressieve stoornis met vitale kenmerken en diens opmerkingen omtrent de situatie van appellant. Zij hebben deze informatie meegewogen en zijn vervolgens, gemotiveerd tot een andere conclusie gekomen.
4.4. Het door Karasoylu opgestelde zorgplan is pas in hoger beroep overgelegd. Meissner en Gorounov hebben geen kennis genomen van de inhoud van dit stuk. Het gaat hier om een stuk dat niet is opgesteld door een medicus en dat geen concrete gegevens bevat die leiden tot twijfel aan de juistheid van de bevindingen van Meissner en Goriounov.
4.5. Uit overwegingen 4.1 tot en met 4.4 volgt dat het hoger beroep niet slaagt en dat de aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.
5. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.
Deze uitspraak is gedaan door Ch. van Voorst als voorzitter en J.J.T. van den Corput en A.I. van der Kris als leden, in tegenwoordigheid van E.H. Heemsbergen als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 8 augustus 2012.
(getekend) Ch. van Voorst
(getekend) E.H. Heemsbergen
RK