ECLI:NL:CRVB:2012:BX3439
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Ch. van Voorst
- J.J.T. van den Corput
- A.I. van der Kris
- Rechtspraak.nl
Niet-ontvankelijkheid hoger beroep wegens ontbreken procesbelang bij WGA-uitkering
Appellant, die sinds 2005 arbeidsongeschikt is vanwege diverse gezondheidsklachten, ontving een WGA-uitkering gebaseerd op een arbeidsongeschiktheid van 80 tot 100%. Na bezwaar stelde het UWV de mate van arbeidsongeschiktheid in 2009 echter vast op 58,4%, wat leidde tot een geschil over de juiste mate van arbeidsongeschiktheid en de hoogte van de uitkering.
De rechtbank verklaarde het beroep van appellant ongegrond, waarbij zij het medische onderzoek en de selectie van passende functies als zorgvuldig en juist beoordeelde. Appellant voerde in hoger beroep aan dat het medische onderzoek onzorgvuldig was en overhandigde nieuwe medische rapporten ter onderbouwing.
De Raad stelde echter vast dat appellant inmiddels een besluit van 19 april 2012 ontving waarin hij vanaf 20 juni 2011 weer volledig arbeidsongeschikt werd geacht, waardoor het beoogde resultaat van het hoger beroep – een hogere mate van arbeidsongeschiktheid over de periode van 10 februari 2009 tot 20 juni 2011 – geen feitelijke betekenis meer heeft.
Daarom oordeelde de Raad dat appellant geen voldoende procesbelang heeft en verklaarde het hoger beroep niet-ontvankelijk. Tevens werd afgezien van een proceskostenveroordeling.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt niet-ontvankelijk verklaard wegens het ontbreken van procesbelang.