ECLI:NL:CRVB:2012:BX3392
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- H.G. Rottier
- B. Barentsen
- F.A.M. Stroink
- Rechtspraak.nl
Geen recht op IVA-uitkering wegens onvoldoende medische onderbouwing beperkingen
Appellant vroeg in september 2005 een WIA-uitkering aan. Het UWV stelde aanvankelijk vast dat appellant geen recht had op een uitkering, maar kende later een loongerelateerde WGA-uitkering toe met een arbeidsongeschiktheid van 80-100%. De rechtbank verklaarde het beroep van appellant ongegrond, omdat het UWV de beperkingen juist had vastgesteld en appellant geen medische gegevens had overgelegd die een hogere mate van beperkingen onderbouwden.
In hoger beroep stelde appellant dat hij meer beperkingen ondervindt dan door het UWV aangenomen en dat het onderzoek niet zorgvuldig was. De Raad oordeelde dat het UWV correct uitvoering had gegeven aan eerdere uitspraken en dat de beperkingen medisch waren onderbouwd. De keuring in het kader van de WSW kon niet direct worden gebruikt als bewijs voor een IVA-uitkering.
De Raad stelde vast dat de klachten deels door overgewicht werden veroorzaakt en dat herstel in 2006 mocht worden aangenomen. Het feit dat appellant nog dezelfde klachten heeft, betekent niet dat de arbeidsongeschiktheid toen al volledig en duurzaam was. De Raad bevestigde daarom het bestreden besluit dat appellant geen recht heeft op een IVA-uitkering.
Daarnaast constateerde de Raad een overschrijding van de redelijke termijn van bijna tweeënhalf jaar in zowel de bestuurlijke als rechterlijke fase. Dit leidde tot heropening van het onderzoek voor een nadere uitspraak over schadevergoeding wegens deze termijnoverschrijding, waarbij ook de Staat der Nederlanden als partij werd aangemerkt.
De Raad wees het verzoek om proceskostenveroordeling af en deed de uitspraak in het openbaar op 18 juli 2012.
Uitkomst: Appellant heeft geen recht op een IVA-uitkering; het onderzoek wordt heropend vanwege overschrijding van de redelijke termijn.