ECLI:NL:CRVB:2012:BX2225

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
20 juli 2012
Publicatiedatum
5 april 2013
Zaaknummer
10-5057 WIA
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8:69 AwbWet werk en inkomen naar arbeidsvermogen
Verwijzingen
4 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Bevestiging afwijzing WIA-uitkering wegens onvoldoende arbeidsongeschiktheid

Appellant heeft beroep ingesteld tegen het besluit van het UWV waarin werd vastgesteld dat hij per 30 juli 2009 minder dan 35% arbeidsongeschikt was en daardoor geen recht had op een WIA-uitkering. De rechtbank Arnhem verklaarde het beroep ongegrond, waarbij werd geoordeeld dat het UWV zijn besluit op juiste wijze had gebaseerd op medische rapportages en een Functionele Mogelijkheden Lijst (FML).

In hoger beroep heeft appellant het oordeel van de rechtbank bestreden en aanvullende medische informatie overgelegd, waaronder een verslag van een intake bij de HSK-groep. De Centrale Raad van Beroep overwoog dat dit verslag niet relevant was voor de datum in geschil en geen nieuwe inzichten bood over de medische situatie van appellant per die datum.

De Raad bevestigde dat de rechtbank de medische beperkingen van appellant en de betrokken rapportages op juiste wijze had beoordeeld. De eigen opvatting van appellant over de onjuistheid van de FML werd niet gedeeld omdat hij dit niet met een medisch rapport had onderbouwd.

Verder oordeelde de Raad dat de functies waarvoor appellant geschikt werd geacht geen belastingen bevatten die zijn mogelijkheden te boven gaan. Het hoger beroep werd daarom ongegrond verklaard en de uitspraak van de rechtbank bevestigd.

Uitkomst: Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en de afwijzing van de WIA-uitkering bevestigd.

Uitspraak

10/5057 WIA
Centrale Raad van Beroep
Enkelvoudige kamer
Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Arnhem van 30 juli 2010, 10/490 (aangevallen uitspraak)
Partijen:
[A. te B.] (appellant)
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv)
Datum uitspraak: 20 juli 2012
PROCESVERLOOP
Namens appellant heeft mr. J. van Delft, advocaat, hoger beroep ingesteld.
Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.
Appellant heeft nadere stukken ingediend.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 8 juni 2012. Appellant heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. Van Delft. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. P.J. Reith.
OVERWEGINGEN
1. Bij besluit van 24 december 2009 (bestreden besluit) heeft het Uwv, beslissend op bezwaar, gehandhaafd zijn besluit dat er per 30 juli 2009 voor appellant geen recht op een uitkering op grond van de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen is ontstaan, omdat appellant per die datum minder dan 35% arbeidsongeschikt is.
Het Uwv heeft het bestreden besluit doen steunen op de rapportages van de bezwaarverzekeringsarts gedateerd 8 december 2009, de voor appellant opgestelde Functionele Mogelijkheden Lijst (FML), gedateerd 22 juni 2009 en de rapportage van de bezwaararbeidsdeskundige gedateerd 22 december 2009.
2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep van appellant tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard. De rechtbank heeft hiertoe overwogen dat hetgeen appellant in beroep heeft aangevoerd niet tot het oordeel kan leiden dat het Uwv het bestreden besluit niet heeft kunnen baseren op de rapportages en de FML vermeld in 1.
3.1. In hoger beroep heeft appellant het oordeel van de rechtbank bedoeld in 2 bestreden. Naar zijn mening dient de Raad de aangevallen uitspraak te vernietigen en zijn beroep alsnog gegrond te verklaren. Ter onderbouwing van zijn standpunt heeft appellant verwezen naar de door hem in beroep ingediende gronden.
3.2. Appellant heeft in hoger beroep overgelegd een verslag van 10 juni 2011 van een intake bij de HSK-groep verricht door de psychologen A.G.A. Migchels en drs. M.J.C. Verheul en een door hem zelf opgesteld commentaar op de juistheid van de FML vermeld in 1.
4.1.1. De Raad overweegt als volgt.
4.1.2. Aan rapportages opgesteld door een bezwaarverzekeringsarts en een bezwaararbeidsdeskundige komt, indien deze rapportages op zorgvuldige wijze tot stand zijn gekomen, geen inconsistenties bevatten en concludent zijn, naar vaste rechtspraak van de Raad een bijzondere waarde toe in die zin, dat het Uwv zijn besluiten omtrent de arbeidsongeschiktheid van een betrokkene op dit soort rapportages mag baseren.
Zulks betekent echter volgens de vaste rechtspraak van de Raad geenszins dat deze rapportages en het daarop gebaseerde besluit in beroep of in hoger beroep niet aantastbaar zijn. Het is echter gelet op artikel 8:69 van Pro de Algemene wet bestuursrecht wel aan appellant om aan te voeren en zo nodig aannemelijk te maken dat de rapportages niet op zorgvuldige wijze tot stand zijn gekomen, inconsistenties bevatten, niet concludent zijn, dan wel dat de in de rapportages gegeven beoordeling onjuist is.
Het aannemelijk maken dat de rapportages niet op zorgvuldige wijze tot stand zijn gekomen, inconsistenties bevatten, dan wel niet concludent zijn kan geschieden door niet medisch geschoolden.
Voor het aannemelijk maken dat de gegeven beoordeling onjuist is, is in beginsel een rapportage van een regulier medicus noodzakelijk. De Raad wijst op zijn uitspraken van 13 juli 2005, LJN AT9828 en 10 januari 2007, LJN AZ6138.
4.1.3. De rechtbank heeft de door appellant in beroep naar voren gebrachte gronden met betrekking tot de bij hem bestaande beperkingen van medische aard met in achtneming van hetgeen is overwogen in 4.1.2 op juiste wijze besproken en beoordeeld. Uit deze beoordeling en bespreking blijkt dat de rechtbank met juistheid heeft bezien of de bezwaarverzekeringsarts de in bezwaar voorhanden zijnde informatie van de huisarts op juiste wijze in zijn beschouwingen heeft betrokken.
4.1.4. Het in hoger beroep overgelegde verslag vermeld in 3.2 ziet niet op de datum in geding en bevat ook geen relevante informatie over de medische situatie van appellant per die datum. Het verslag leidt de Raad dan ook niet tot een ander oordeel dan waartoe de rechtbank is gekomen.
4.1.5. De eigen opvatting van appellant omtrent de onjuistheid van de FML leidt de Raad evenmin tot een ander oordeel dan waartoe de rechtbank is gekomen, omdat appellant niet aannemelijk heeft gemaakt dat zijn opvatting omtrent zijn gezondheidssituatie wordt gedeeld door een medicus.
4.2. Met juistheid is de rechtbank tot het oordeel gekomen dat de functies waarvoor appellant geschikt wordt geacht geen belastingen bevatten die zijn mogelijkheden als weergegeven in de FML bedoeld in 1 te boven gaan.
5.1. Gelet op hetgeen is overwogen in 4.1.2 tot en met 4.2 treft het hoger beroep geen doel. De aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.
5.2. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.
Deze uitspraak is gedaan door J. Brand, in tegenwoordigheid van Z. Karekezi als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 20 juli 2012.
(getekend) J. Brand.
(getekend) Z. Karekezi
IvR