ECLI:NL:CRVB:2012:BX1984
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Ch. van Voorst
- J.J.T. van den Corput
- A.I. van der Kris
- Rechtspraak.nl
Bevestiging weigering Ziektewet-uitkering na benadelingshandeling door beëindiging dienstverband
Appellant viel op 28 april 2009 wegens hartklachten uit voor zijn werk en sloot op 14 september 2009 een vaststellingsovereenkomst waarbij zijn dienstverband per 15 november 2009 werd beëindigd. Het UWV weigerde hem ziekengeld omdat het dienstverband tijdens ziekte werd beëindigd, wat volgens het UWV een benadelingshandeling opleverde.
De rechtbank verklaarde het beroep van appellant ongegrond en oordeelde dat appellant door akkoord te gaan met de beëindigingsovereenkomst zijn recht op loon had prijsgegeven terwijl het ongeschiktheidsrisico al was ingetreden. Appellant voerde in hoger beroep aan dat hij niet benadeeld had, dat het initiatief van de werkgever uitging en dat er druk was uitgeoefend, maar deze argumenten werden door de Raad verworpen.
De Raad stelde vast dat het feit dat appellant onder druk instemde met de beëindigingsovereenkomst geen reden is om de verwijtbaarheid te verminderen, omdat appellant geen omstandigheden had aangevoerd die aantonen dat hij geen andere keuze had. Ook een brief van het UWV over een mogelijke uitkering werd als niet relevant beoordeeld.
Uiteindelijk bevestigde de Centrale Raad van Beroep het bestreden besluit en de uitspraak van de rechtbank, waarmee de weigering van de Ziektewet-uitkering stand houdt.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt de weigering van de Ziektewet-uitkering wegens benadelingshandeling door beëindiging dienstverband tijdens ziekte.