ECLI:NL:CRVB:2012:BX1720
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging intrekking en terugvordering bijstand wegens gezamenlijke huishouding en schending inlichtingenplicht
Appellante ontving bijstand op grond van de Wet werk en bijstand (WWB). Naar aanleiding van een anonieme tip startte het college een onderzoek naar de rechtmatigheid van de bijstandsverlening, waarbij werd vastgesteld dat appellant gedurende de gehele periode van 31 juli 2006 tot en met 30 november 2009 zijn hoofdverblijf had in de woning van appellante, en dat sprake was van een gezamenlijke huishouding met wederzijdse zorg.
Het college trok de bijstand van appellante in en vorderde de kosten van bijstand terug, mede van appellant. De rechtbank verklaarde de beroepen van appellante en appellant ongegrond. In hoger beroep voerden appellanten aan dat de periode van terugvordering willekeurig was vastgesteld en dat het college het zorgvuldigheidsbeginsel had geschonden door het late instellen van het onderzoek.
De Raad oordeelde dat de onderzoeksbevindingen, waaronder verklaringen van appellanten, getuigen en werkgevers, voldoende waren om het gezamenlijke hoofdverblijf en de wederzijdse zorg vast te stellen. De aanvangsdatum van de terugvordering was niet willekeurig, en het zorgvuldigheidsbeginsel was niet geschonden, mede omdat appellante zelf had kunnen melden dat zij een gezamenlijke huishouding voerde. De hoger beroepen worden verworpen en de aangevallen uitspraken bevestigd.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt de intrekking en terugvordering van bijstand wegens gezamenlijke huishouding en schending van de inlichtingenplicht.