ECLI:NL:CRVB:2012:BX1264
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Herroeping intrekking bijstandsuitkering wegens onvoldoende bewijs werkzaamheden
Appellante ontving sinds 1979 bijstand en werd op grond van een anonieme tip onderzocht door de gemeente ’s-Gravenhage vanwege vermoedelijke werkzaamheden als schoonmaakster. De gemeente voerde waarnemingen uit van 1 mei tot en met 25 juni 2010 en hield confrontatiegesprekken op 28 juni en 19 juli 2010. Op 21 juli 2010 werd de bijstand ingetrokken met ingang van 1 juli 2010 wegens het niet verstrekken van informatie over inkomsten uit werkzaamheden.
De voorzieningenrechter verklaarde het bezwaar van appellante ongegrond, maar de Centrale Raad van Beroep oordeelde dat het college onvoldoende feitelijke grondslag had om te concluderen dat appellante tussen 1 en 21 juli 2010 werkzaamheden had verricht. De waarnemingen vonden immers plaats vóór 1 juli en de confrontatiegesprekken boden geen concrete aanwijzingen. De verklaring van appellante dat zij adressen had waar zij huishoudelijk werk kon doen, was onvoldoende bewijs voor daadwerkelijke werkzaamheden.
De Raad vernietigde daarom het bestreden besluit en het primaire besluit wegens strijd met de artikelen 3:2 en 7:12 van de Algemene wet bestuursrecht. Het besluit van 21 juli 2010 werd herroepen en de Raad bepaalde dat deze uitspraak in de plaats treedt van het besluit van 13 september 2010. Tevens werd het college veroordeeld in de kosten van appellante en werd het betaalde griffierecht vergoed.
Uitkomst: Het besluit tot intrekking van de bijstand wordt herroepen wegens onvoldoende bewijs van werkzaamheden in de relevante periode.