ECLI:NL:CRVB:2012:BX0597

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
6 juli 2012
Publicatiedatum
5 april 2013
Zaaknummer
10-6996 WAO
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Verwijzingen
1 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Bevestiging intrekking WAO-uitkering wegens onvoldoende arbeidsongeschiktheid per 31 oktober 2006

Appellante had sinds 22 mei 2002 een WAO-uitkering wegens 80-100% arbeidsongeschiktheid. Na een herbeoordeling op grond van het aangepaste Schattingsbesluit werd deze uitkering per 17 maart 2006 ingetrokken omdat zij minder dan 15% arbeidsongeschikt werd bevonden. De rechtbank verklaarde het beroep van appellante tegen dit besluit ongegrond.

Appellante vroeg opnieuw een WAO-uitkering aan wegens vermeende toegenomen arbeidsongeschiktheid per 3 oktober 2006. Het UWV handhaafde het standpunt dat zij onveranderd minder dan 15% arbeidsongeschikt was en daarom geen recht had op een uitkering per 31 oktober 2006. De rechtbank en vervolgens de Centrale Raad van Beroep bevestigden dit oordeel.

In hoger beroep stelde appellante dat haar klachten en beperkingen waren onderschat en dat de functies die zij kon vervullen haar belastbaarheid overschreden. De Raad oordeelde dat deze argumenten een herhaling waren van eerdere stellingen die reeds waren verworpen. De medische beoordeling van het UWV werd als juist beschouwd.

De Raad benadrukte dat het oordeel uitsluitend betrekking had op de situatie per 31 oktober 2006 en dat appellante bij latere toename van beperkingen een nieuwe aanvraag kon indienen. Een proceskostenveroordeling werd niet opgelegd.

De uitspraak werd gedaan door voorzitter Brand en leden Bolt en Hilhorst-Hagen op 6 juli 2012.

Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt dat appellante geen recht heeft op een WAO-uitkering per 31 oktober 2006 wegens minder dan 15% arbeidsongeschiktheid.

Uitspraak

10/6996 WAO
Centrale Raad van Beroep
Meervoudige kamer
Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank 's-Hertogenbosch van 6 december 2010, 10/2695 (aangevallen uitspraak)
Partijen:
[Appellante] te [woonplaats] (appellante)
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv)
Datum uitspraak 6 juli 2012.
PROCESVERLOOP
Namens appellante heeft mr. P.L.O. van de Waarsenburg, advocaat, hoger beroep ingesteld.
Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 25 mei 2012. Appellante is verschenen bijgestaan door mr. Van de Waarsenburg. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. R.E.J.P.M. Rutten.
OVERWEGINGEN
1.1. Het Uwv heeft appellante met ingang van 22 mei 2002 een WAO-uitkering toegekend naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 80 tot 100%. In het kader van een herbeoordeling op grond van het aangepaste Schattingsbesluit is de WAO-uitkering van appellante met ingang van 17 maart 2006 ingetrokken omdat zij minder dan 15% arbeidsongeschikt was bevonden. Bij uitspraak van 28 november 2008 heeft de Raad het oordeel van de rechtbank dat de uitkering terecht is ingetrokken bevestigd.
1.2. Op 9 oktober 2009 heeft appellante opnieuw een WAO-uitkering aangevraagd wegens per 3 oktober 2006 toegenomen arbeidsongeschiktheid. Het Uwv heeft bij besluit van 9 juli 2010, het bestreden besluit, zijn standpunt gehandhaafd dat appellante onveranderd voor minder dan 15% arbeidsongeschikt is en daarom na ommekomst van de in dit geval van toepassing zijnde verkorte wachttijd van vier weken, per 31 oktober 2006 niet in aanmerking komt voor een WAO-uitkering.
2. De rechtbank heeft op grond van de in de aangevallen uitspraak weergegeven overwegingen het beroep van appellante tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard.
3. Appellante heeft in hoger beroep aangevoerd dat haar klachten en beperkingen zijn onderschat en dat de belasting in de haar voorgehouden functies haar belastbaarheid overschrijdt en dat die functies dus niet geschikt zijn.
4.1. Hetgeen appellante in hoger beroep heeft gesteld vormt in essentie een herhaling van hetgeen zij reeds eerder in beroep naar voren heeft gebracht. De rechtbank heeft deze gronden van beroep op een juiste wijze in de aangevallen uitspraak vermeld en met juistheid geoordeeld dat deze gronden van beroep niet slagen.
4.2. De eigen opvatting van appellante omtrent haar gezondheidstoestand en de beperkingen die hieruit voortvloeien is onvoldoende om te twijfelen aan de juistheid van de door de bezwaarverzekeringsarts vastgestelde en door het Uwv overgenomen beperkingen van medische aard.
4.3. Uit hetgeen is overwogen in 4.1 en 4.2 vloeit voort dat de aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.
4.4. De Raad wijst er daarbij op dat het standpunt van het Uwv en de oordelen van de rechtbank en de Raad uitsluitend zien op de datum 31 oktober 2006. Voor zover appellante meent dat zij nadien, bijvoorbeeld ten tijde van de opname in het herstellingsoord, meer beperkingen had, kan zij bij het Uwv een nieuwe aanvraag indienen.
5. Voor een proceskostenveroordeling acht de Raad geen termen aanwezig.
BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.
Deze uitspraak is gedaan door J. Brand als voorzitter en H. Bolt en I.M.J. Hilhorst-Hagen als leden, in tegenwoordigheid van G.J. van Gendt als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 6 juli 2012.
(get.) J. Brand.
(get.) G.J. van Gendt.
IvR