ECLI:NL:CRVB:2012:BX0517
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Herziening bijstand naar norm alleenstaande wegens verblijf dochter in Marokko
Appellant ontving bijstand als alleenstaande ouder, met de veronderstelling dat zijn minderjarige dochter bij hem woonde. De Sociale Verzekeringsbank stelde echter vast dat de dochter vanaf 21 januari 2004 bij haar moeder in Marokko woonde en weigerde kinderbijslag. De gemeente Rotterdam herzag daarop de bijstand van appellant over de periode 1 juli 2004 tot 1 mei 2007 naar de norm voor een alleenstaande, omdat appellant de inlichtingenplicht zou hebben geschonden door het verblijf van zijn dochter in Marokko niet te melden.
De rechtbank vernietigde dit besluit wegens strijd met het zorgvuldigheids- en verdedigingsbeginsel, maar handhaafde de rechtsgevolgen. Appellant stelde in hoger beroep dat onvoldoende bewijs was geleverd voor het verblijf van zijn dochter in Marokko in de relevante periode, en betwistte de verklaringen van grootouders en broer, alsmede het feitelijk gevolgd onderwijs.
De Raad oordeelde dat uit de rapporten van de attaché van de Nederlandse ambassade in Rabat, met verklaringen van de grootouders en broer, blijkt dat de dochter vanaf 1 juli 2004 tot 1 september 2006 in Marokko woonde en daar onderwijs volgde. De Raad verwierp het beroep op eerdere jurisprudentie en het argument van appellant over de inschrijving in de gemeentelijke basisadministratie, omdat de feitelijke situatie doorslaggevend is. Het hoger beroep werd ongegrond verklaard en de aangevallen uitspraak bevestigd.
Uitkomst: De bijstand van appellant wordt terecht herzien naar de norm voor een alleenstaande omdat zijn dochter vanaf 1 juli 2004 tot 1 september 2006 in Marokko woonde.