ECLI:NL:CRVB:2012:BX0183

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
3 juli 2012
Publicatiedatum
5 april 2013
Zaaknummer
10-866 WWB
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 60 lid 6 WWBArt. 58 WWBArt. 59 WWBArt. 288 Boek 3 BW
Verwijzingen
6 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Bevestiging aflossingsverplichting terugvordering bijstand ondanks schulden

Appellant was geconfronteerd met een terugvordering van teveel ontvangen bijstand, waarbij het college een aflossingsverplichting van €752,30 per maand had vastgesteld. Appellant stelde dat hij door de omvang van zijn schulden niet aan deze aflossingsverplichting kon voldoen en dat deze schulden ten onrechte niet waren meegenomen bij de vaststelling van zijn draagkracht.

De rechtbank had het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard en de Centrale Raad van Beroep bevestigde deze uitspraak in hoger beroep. De Raad overwoog dat de vordering van het college op grond van de WWB en het Burgerlijk Wetboek bevoorrecht is en voorgaat op andere schulden, waardoor de omvang van deze schulden niet relevant is voor de aflossingscapaciteit.

Daarnaast kon appellant niet met concrete gegevens aantonen dat de berekening van het aflossingsbedrag onjuist was. Ook het aangevoerde motiveringsgebrek werd verworpen. De Raad concludeerde dat het hoger beroep niet slaagt en bevestigde de eerdere uitspraak, zonder toewijzing van proceskosten.

Uitkomst: Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en de aflossingsverplichting van €752,30 per maand bevestigd.

Uitspraak

10/866 WWB
Centrale Raad van Beroep
Meervoudige kamer
Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van 29 december 2009, 09/3876 (aangevallen uitspraak)
Partijen:
[appellant] te [woonplaats] (appellant)
het college van burgemeester en wethouders van Amsterdam (college)
Datum uitspraak 3 juli 2012.
PROCESVERLOOP
Namens appellant heeft mr. F. Verkerk, advocaat, hoger beroep ingesteld.
Het college heeft een verweerschrift ingediend.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 22 mei 2012. De zaak is gevoegd behandeld met de zaken 10/841 WWB, 11/668 WWB en 11/6740 WWB. Appellant is, met bericht, niet verschenen. Het college heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. M. Mulders en B.A. Veenendaal. In de gevoegde zaken wordt heden afzonderlijk uitspraak gedaan.
OVERWEGINGEN
1. De Raad gaat uit van de volgende in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden.
1.1. Het college heeft op grond van de besluiten van 2 september 2002 en 19 oktober 2007 een vordering op appellant ter zake van terugvordering van in het verleden teveel ontvangen bijstand. Het saldo van de nog openstaande vordering bedroeg op 17 april 2009 € 27.099,86.
1.2. Na een periodiek heronderzoek heeft het college de aflossingsverplichting van appellant bij besluit van 15 mei 2009 met ingang van 1 juni 2009 vastgesteld op een bedrag van € 752,30 per maand.
1.3. Bij besluit van 16 juli 2009 (bestreden besluit) heeft het college het bezwaar tegen het besluit van 15 mei 2009 ongegrond verklaard.
2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard.
3. In hoger beroep heeft appellant aangevoerd dat hij het aflossingsbedrag te hoog vindt. Door de omvang van zijn schulden kan hij niet aan de aflossingsverplichting voldoen. Hij heeft deze schulden met stukken onderbouwd en deze zijn ten onrechte niet meegenomen bij het vaststellen van zijn draagkracht. Met de enkele verwijzing naar het besluit in een andere procedure is het bestreden besluit onvoldoende gemotiveerd.
4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.
4.1. In artikel 60, zesde lid, van de Wet werk en bijstand (WWB) is bepaald dat terugvordering van de kosten van bijstand als bedoeld in de artikelen 58 en 59 van de WWB bevoorrecht is en onmiddellijk volgt na de vorderingen die in artikel 288 van Pro Boek 3 van het Burgerlijk Wetboek zijn omschreven.
4.2. In hoger beroep heeft appellant alleen te kennen gegeven dat hij door de omvang van zijn schulden niet aan de aflossingsverplichting kan voldoen. De omvang van deze schulden is echter bij het vaststellen van de aflossingscapaciteit voor de terugvorderingschuld niet van belang, omdat de vordering van het college voorgaat op de afbetaling van andere schulden. Deze andere schulden konden dan ook bij de vaststelling van de aflossingsverplichting van appellant buiten beschouwing worden gelaten. De beroepsgrond van appellant slaagt dus niet.
4.3. Appellant heeft weliswaar gesteld dat het aflossingsbedrag te hoog is, maar hij heeft niet met gegevens onderbouwd dat en waarom de berekening van het aflossingsbedrag op grond van de door hem verstrekte financiële gegevens onjuist zou zijn. Deze beroepsgrond faalt dan ook.
4.4. De verwijzing naar een andere beslissing in het bestreden besluit is alleen opgenomen in verband met het in bezwaar door appellant ingenomen standpunt dat de terugvordering nog niet definitief vaststaat. De beroepsgrond van appellant dat op grond daarvan sprake is van een motiveringsgebrek wordt verworpen.
4.5. Uit 4.1 tot en met 4.4 volgt dat het hoger beroep niet slaagt, zodat de aangevallen uitspraak wordt bevestigd.
5. Voor een veroordeling in de proceskosten bestaat geen aanleiding.
BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.
Deze uitspraak is gedaan door E.J.M. Heijs als voorzitter en W.H. Bel en Y.J. Klik als leden, in tegenwoordigheid van A.C. Oomkens als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 3 juli 2012.
(getekend) E.J.M. Heijs
(getekend) A.C.Oomkens
HD