ECLI:NL:CRVB:2012:BW9282
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- H.G. Rottier
- B.M. van Dun
- D.J. van der Vos
- Rechtspraak.nl
Bevestiging weigering terugwerkende WW-uitkering wegens ontbreken bijzonder geval
Appellant vroeg een WW-uitkering aan met ingang van 1 januari 2003, maar het UWV weigerde uitbetaling over de periode van meer dan 26 weken voorafgaand aan de aanvraag, conform artikel 23 WW Pro (oud). Appellant stelde dat hij door een medewerkster van het CWI onjuiste informatie had gekregen waardoor hij de aanvraag niet eerder deed, en dat dit een bijzonder geval vormde voor afwijking van de regel.
De rechtbank wees het beroep af en de Centrale Raad van Beroep bevestigde dit in hoger beroep. De Raad oordeelde dat de mededeling van de CWI-medewerkster niet zonder meer onjuist was en dat appellant niet voldoende had aangetoond dat sprake was van een bijzonder geval. Tevens was het appellant's eigen keuze geweest om geen aanvraag in te dienen en had hij zich eerder moeten oriënteren.
Verder oordeelde de Raad dat de beperking van het recht op uitkering niet in strijd was met artikel 1 van Pro het Eerste Protocol bij het EVRM. De wetgever had een legitieme doelstelling in het algemeen belang met de 26-wekenregel en de proportionaliteit was gewaarborgd. De Raad bevestigde de eerdere uitspraak en wees het hoger beroep af.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt dat geen WW-uitkering met terugwerkende kracht van meer dan 26 weken wordt toegekend wegens ontbreken van een bijzonder geval.