ECLI:NL:CRVB:2012:BW9087
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Ch. van Voorst
- B.M. van Dun
- J.J.T. van den Corput
- Rechtspraak.nl
Beoordeling zorgvuldigheid medische beoordeling en weigering WIA- en ZW-uitkering
Appellante was werkzaam als inpakster en meldde zich ziek vanwege een baarmoederverzakking. Het UWV weigerde haar een WIA-uitkering omdat zij minder dan 35% arbeidsongeschikt werd geacht. Ook beëindigde het UWV haar ZW-uitkering na medisch onderzoek, omdat zij geschikt werd bevonden voor het verrichten van geduide functies. Appellante kwam hiertegen in bezwaar en beroep.
De rechtbank verklaarde de beroepen ongegrond en oordeelde dat de verzekeringsartsen zorgvuldig hadden gehandeld, voldoende medische informatie hadden gebruikt en dat er geen aanleiding was om informatie bij de behandelend sector in te winnen. De geduide functies werden als passend beschouwd en de arbeidsdeskundige had de signaleringen gemotiveerd toegelicht.
In hoger beroep stelde appellante dat haar medische situatie ernstiger was dan erkend en dat het UWV onvoldoende had gemotiveerd waarom bepaalde functies niet passend waren. Zij overhandigde een rapport van een medisch adviseur, maar de Raad oordeelde dat dit rapport onvoldoende onderbouwd was en appellante niet ten tijde van de beoordeling had onderzocht.
De Centrale Raad van Beroep bevestigde de eerdere uitspraken en oordeelde dat de medische beoordeling zorgvuldig was, dat de geduide functies passend waren en dat het bezwaar en beroep ongegrond waren. Het verzoek tot schadevergoeding werd afgewezen en er was geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling.
Uitkomst: Het hoger beroep van appellante wordt ongegrond verklaard en de weigering van WIA- en ZW-uitkeringen wordt bevestigd.