ECLI:NL:CRVB:2012:BW8938
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- G.A.J. van den Hurk
- H. Bolt
- M. Greebe
- Rechtspraak.nl
Bevestiging intrekking en terugvordering WW-uitkering wegens niet gemelde zelfstandige werkzaamheden
Appellant had een WW-uitkering ontvangen over de periode van 5 januari 2004 tot 5 januari 2006. Het UWV had deze uitkering ingetrokken en teruggevorderd omdat appellant niet had gemeld dat hij als zelfstandige werkte. Appellant voerde aan dat hij slechts beperkt uren als zelfstandige had gewerkt en dat hij voorafgaand aan zijn werkloosheid werkzaamheden in dienstbetrekking combineerde met zelfstandige werkzaamheden.
De Centrale Raad van Beroep oordeelde dat appellant onvoldoende bewijs had geleverd voor zijn stellingen. Uit verklaringen van voormalige werknemers en bedrijfsdocumenten bleek dat appellant vanaf december 2003 een volle dagtaak had in zijn onderneming. Appellant had geen juiste en volledige opgave gedaan van zijn gewerkte uren, waardoor het UWV terecht de omvang van zijn werkzaamheden op een volledige werkweek had geschat.
Het buitenwettelijke, begunstigende beleid van het UWV, zoals vastgelegd in de ZZP-handleiding, was op consistente wijze toegepast. Appellant had geen recht op correctie van het besluit omdat hij niet aan zijn inlichtingenplicht had voldaan. Het beroep tegen het besluit van 23 september 2010 werd daarom ongegrond verklaard en het verzoek tot schadevergoeding afgewezen. Wel werd het UWV veroordeeld in de proceskosten van appellant.
Uitkomst: Het beroep van appellant tegen het besluit van het UWV tot intrekking en terugvordering van de WW-uitkering wordt afgewezen.