ECLI:NL:CRVB:2012:BW8895
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- J. Riphagen
- J.J.T. van den Corput
- A.I. van der Kris
- Rechtspraak.nl
Bevestiging herziening WAO-uitkering naar 35-45% arbeidsongeschiktheid
Appellant, sinds 1997 arbeidsongeschikt vanwege chronische vermoeidheidsklachten, kreeg in 1998 een WAO-uitkering van 80-100%. Na een herbeoordeling in 2006 concludeerde het UWV dat appellant in staat was om passend werk te verrichten, wat leidde tot verlaging van de uitkering naar 35-45%. Appellant maakte bezwaar en stelde dat zijn beperkingen door het St. Louis virus en CVS onvoldoende waren meegewogen.
De rechtbank benoemde drie deskundigen: psychiater Gerssen, internist Abraham-Inpijn en neuroloog Vroon. Hoewel zij niet in alle punten overeenstemden, werd het oordeel van psychiater Gerssen als onafhankelijk en doorslaggevend beschouwd. De internist en neuroloog vonden geen neurologische afwijkingen die zwaardere beperkingen rechtvaardigen. De bezwaarverzekeringsarts bevestigde dat de beperkingen in de Functionele Mogelijkhedenlijst (FML) adequaat waren vastgesteld.
Appellant overhandigde aanvullende verklaringen van andere specialisten, maar deze boden geen aanleiding voor een ander oordeel. De Raad concludeerde dat er geen grond was voor een nieuwe deskundige of voor het aannemen van een hogere mate van arbeidsongeschiktheid. Het hoger beroep werd ongegrond verklaard en de verlaging van de WAO-uitkering bevestigd.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en de verlaging van de WAO-uitkering bevestigd.