ECLI:NL:CRVB:2012:BW7533
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- A.B.J. van der Ham
- J.F. Bandringa
- W.H. Bel
- Rechtspraak.nl
Bevestiging herziening AOW-pensioen wegens gezamenlijke huishouding
Appellanten, die van 1975 tot 2002 gehuwd waren, ontvingen beiden een ongehuwdenpensioen ingevolge de AOW. Naar aanleiding van een anonieme melding startte de Sociale Verzekeringsbank (Svb) een onderzoek naar hun woonsituatie. Uit getuigenverklaringen en dossieronderzoek bleek dat zij gedurende de relevante periode een gezamenlijke huishouding voerden in de woning van appellant.
De Svb herzag de pensioenen van appellanten naar gehuwdenpensioen en vorderde het teveel betaalde bedrag terug. Appellanten maakten bezwaar tegen deze besluiten, stellende dat zij niet samenwoonden en dat getuigenverklaringen onbetrouwbaar waren vanwege vermeende belangenconflicten.
De rechtbank verklaarde de beroepen ongegrond en ook in hoger beroep oordeelde de Centrale Raad van Beroep dat het bewijs voldoende was om het onweerlegbare rechtsvermoeden van gezamenlijke huishouding toe te passen. De Raad wees de stellingen van een complot en het betwisten van de getuigenverklaringen af wegens gebrek aan onderbouwing.
De Raad concludeerde dat appellanten zich naar buiten toe als echtpaar presenteerden en dat de woning aan het adres van appellant hun gezamenlijke hoofdverblijf was. De besluiten tot herziening en terugvordering blijven daarmee in stand. De uitspraak van de rechtbank wordt bevestigd.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt dat appellanten vanaf de toekenning van hun AOW-pensioenen een gezamenlijke huishouding voerden en wijst het hoger beroep af.