ECLI:NL:CRVB:2009:BK8320
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- N.J. van Vulpen-Grootjans
- C. van Viegen
- O.L.H.W.I. Korte
- Rechtspraak.nl
Herroeping intrekking bijstand wegens samenwoning over periode vóór 1996
Appellant ontving sinds 1980 bijstand als alleenstaande. Het College van burgemeester en wethouders van Dordrecht trok de bijstand met ingang van 26 juni 1985 in en vorderde terugbetaling over 1997-2005 wegens vermeende samenwoning met zijn ex-partner [A.B.]. Het College baseerde de intrekking op artikelen van de Algemene bijstandwet (Abw) en de Wet werk en bijstand (WWB), waarin een onweerlegbaar rechtsvermoeden van gezamenlijke huishouding is opgenomen voor perioden vanaf 1996.
De Raad stelt vast dat dit rechtsvermoeden niet van toepassing is op de periode 1985-1996, omdat de betreffende wetsartikelen toen nog niet van kracht waren. Het College heeft nagelaten te onderzoeken of appellant en [A.B.] voldeden aan het zorgcriterium dat vereist is voor het aannemen van gezamenlijke huishouding in die periode. Hierdoor is het besluit over deze periode niet deugdelijk gemotiveerd en strijdig met de wet.
Voor de periode 1996-2005 is het onweerlegbare rechtsvermoeden van toepassing vanwege het gezamenlijke kind. De Raad acht de verklaringen van appellant en de onderzoeksbevindingen van de Sociale Recherche voldoende bewijs dat appellant zijn hoofdverblijf had in de woning van [A.B.]. Appellant heeft onterecht bijstand ontvangen als alleenstaande en het College was bevoegd de bijstand in te trekken en terug te vorderen.
De Raad vernietigt het besluit over de periode 1985-1996 en herroept het primaire besluit tot intrekking over die periode. Het beroep wordt gegrond verklaard en het College wordt veroordeeld in de proceskosten. Het verzoek tot vergoeding van bezwaarkosten wordt afgewezen.
Uitkomst: Intrekking bijstand over 1985-1996 vernietigd wegens onvoldoende bewijs gezamenlijke huishouding, intrekking over 1996-2005 bevestigd.